Recensie: The conservation revolution, Bram Büscher en Robert Fletcher

In maart 2015 werd voor het eerst sinds 150 jaar in Nederland een wolf ontdekt. Nog maar vijf jaar later lopen er wolvenkoppels en wolvenpuppies op de Veluwe rond en worden individuele exemplaren gespot in grote delen van het land. De meningen over de terugkeer van dit iconische dier zijn sterk verdeeld, net als over het bijvoederbeleid voor grote grazers in de Oostvaardersplassen. Samenleven met wilde natuur is verduiveld lastig – zowel wanneer je het land met ze deelt, als wanneer een perceel wordt omheind en het leven er aan het lot wordt overgelaten.

Afbeelding van de kaft van het boek The conservation revolution

Voor de politiek ecologen Bram Büscher en Robert Fletcher, die aan de Wageningen Universiteit onderzoek doen naar natuurbescherming, staan deze discussies in een groter verband. In het Conviva-project onderzoeken ze nieuwe vormen waarop mens en natuur samen kunnen leven. En in het uitdagende boek The conservation revolution leggen zij nu uit waarom de crisis van het natuurbehoud – want het gaat wereldwijd bar slecht met de biodiversiteit – alles te maken heeft met de werking van het kapitalisme, en wat we ertegen kunnen doen.  

Big Five

Natuurbescherming van overheidswege is al zeker anderhalve eeuw oud. Tot de oudste beschermde natuurgebieden die we kennen, behoren het Yosemite National Park in Californië (1872) en, dichterbij, het Naardermeer (1906). Inmiddels zijn er wereldwijd bijna een kwart miljoen beschermde gebieden die zo’n vijftien procent van het landoppervlak bedekken. Deze staan niet altijd achter slot en grendel.

Talrijke gebieden worden bijvoorbeeld door inheemse volkeren of lokale gemeenschappen beheerd. Veel van de meest iconische parken zijn echter exclusief van aard. Sommige zijn toegankelijk voor toeristen, om de Big Five op de gevoelige plaat vast te leggen. De voormalige (vaak nomadische) bewoners zijn de gebieden uitgejaagd, met natuurbescherming als officieel argument maar niet zelden met etnische conflicten die op de achtergrond meespelen. De vraag wie de rechtmatige eigenaar of gebruiker van de grond is, is sowieso een lastige in de veelal voormalig koloniale gebieden waar veel bijzondere natuur gelegen is.

De rest van de natuur, die niet achter hekken staat, is juist verworden tot handelswaar. Waar natuurbescherming vroeger gold als een buffer tegen oprukkende industrialisatie en grootschalige landbouw, deed de afgelopen decennia ook hier het neoliberalisme zijn intrede. Investeerders en accountants ontdekten dat natuurbehoud winst kan opleveren door het als financiële asset ofwel als ‘natuurlijk kapitaal’ op te voeren.

“ De natuur raakt steeds verder beschadigd, de greep van het geld op de planeet is groter dan ooit ”

Natuurbeschermers hebben een tijd lang meebewogen met deze trend, leggen Büscher en Fletcher uit. De conservationists constateerden: politici luisteren misschien niet naar onze adviezen over de ecologie, ze luisteren wel naar economische argumenten. Natuurbeschermers zijn steeds meer de taal van zakenlieden gaan praten. Inmiddels zien veel beschermers en ecologen in dat deze aanpak geen zoden aan de dijk heeft gezet.

De natuur raakt steeds verder beschadigd, de greep van het geld op de planeet is groter dan ooit. En omdat de zesde uitstervingsgolf nu echt hard om zich heen slaat, steekt de kapitalismekritiek ineens op. De auteurs omschrijven hoe de band tussen kapitaal en natuur in een aantal golven steeds inniger is geworden, maar ook welke kritische alternatieven daartegenover zijn voorgesteld, zoals door de Degrowthbeweging en Extinction Rebellion.

Basisinkomen

De Wageningse onderzoekers presenteren zelf een programma voor een radicaal ander soort natuurbescherming, waar ze naar verwijzen als ‘convivial conservation’ – ofwel de kunst van het samenleven van mens en natuur. Eén van de meer concrete ideeën is het conservation basic income’, ofwel een gedeeltelijk basisinkomen voor gemeenschappen die vlakbij waardevolle natuur leven.

De redenering is dat veel gemeenschappen door de mondiale markteconomie zo goed als gedwongen worden hun natuurlijke hulpbronnen uit te putten. Met een geoormerkt basisinkomen kunnen de bewoners levensstijlen en activiteiten ontwikkelen die de natuur niet schaden, maar juist herstellen.

Een andere vraag die in het boek wordt verkend, is die naar het verschil tussen mens en natuur. Dit vraagstuk, dat generaties filosofen heeft beziggehouden, is niet alleen een theoretische exercitie; het heeft ook praktische consequenties. De auteurs zetten nadrukkelijk in op de verzoening tussen mens en natuur, en denken hardop na over uitgebreide stadsparken die de bakens van nieuwe, zeer biodiverse ‘cultuur-natuur’ worden. En zij keren zich sterk af van oude ecologen zoals Edward Wilson, die voorstellen om de halve Aarde af te grendelen om daar de natuur ongestoord te laten voortwoekeren.

Deze ‘half Earth’-gedachte vergroot de kloof tussen mens en natuur alleen maar, en dat zal zich wreken: niet alleen in minder empathie voor plant en dier, maar ook door nog hardere vormen van uitsluiting. Marginale gemeenschappen wiens bestaan van de natuur afhangt, zouden op die manier met geweld de kapitalistische samenleving in worden gedwongen.

Leeuwen in Afrika

Is er dan nog wel plaats voor ouderwetse natuurbescherming achter het bord ‘verboden toegang’? Beschermde gebieden kunnen wel een beetje helpen om soorten te beschermen, zegt Büscher, maar uiteindelijk bijt dit systeem zichzelf in de staart.

In een persoonlijke toelichting stelt de auteur: “Als wij mensen ook natuur zijn, en wij beschermen de natuur tegen de mens, dan beschermen wij onszelf tegen onszelf. Dat is geen goede uitgangspositie voor een toekomstige duurzame ontwikkeling. Natuurbehoud die moet leven van toerisme, is ook vaak natuur ‘ver weg’. Leuk natuurlijk, leeuwen kijken in Afrika. Maar we kunnen nog niet eens met de wolf samenleven. Nou, dat vind ik een schitterend voorbeeld, laten we daar eerst maar eens mee leren omgaan.”

Zie ook convivialconservation.com

The conservation revolution
Bram Büscher en Robert Fletcher. Verso Books, 2020