Eerstegeneratiestudenten hebben niemand in hun omgeving gehad die eerder naar de hogeschool of universiteit is geweest. Sommigen komen uit een veilig gezin met ouders die hun kind volop stimuleren. Anderen komen uit minder stabiele gezinnen, zonder financiële ondersteuning en met weinig toegang tot sociale netwerken. Sommigen groeien op in gebieden waar hogescholen en universiteiten letterlijk ver weg zijn – of dat nu een dorp, het platteland, een stad of zelfs het buitenland is.

Eerstegeneratiestudenten brengen een rijkdom aan diversiteit met zich mee, variërend in etniciteit, huidskleur, gender en sociale klasse. Eén ding hebben ze gemeen: als je niet weet wat er van je verwacht wordt als je gaat studeren, dan kunnen er behoorlijk wat verrassingen op je pad komen. In dit stuk richten we onze aandacht op de universiteit.

Ongeschreven regels

Toen ik dertien jaar oud was, werkte ik als schoonmaker in een ziekenhuis. Ik had toen nooit verwacht dat ik later een promotieonderzoek zou afronden, ook in het ziekenhuis. Tijdens mijn schooltijd moest ik werken en zorgde ik thuis voor familie. Ik zakte eerst voor mijn eindexamens op de middelbare school en vertelde een docent over mijn thuissituatie. Mede dankzij hem heb ik opnieuw examens gedaan in een andere stad. Ditmaal slaagde ik, en veertien jaar geleden begon ik als eerste uit mijn gezin aan de universiteit.

Studenten in overleg aan een tafel.
Foto: Brodie Vissers. CC0

Op de universiteit bestaan veel ongeschreven regels die ik niet kende. Studeren gaat namelijk niet alleen om kennis bestuderen, maar ook om weten hoe je dit doet: de mores van een bepaalde opleiding, deelnemen aan een college, de manier van spreken of vragen stellen, maar ook het hebben van middelen om noodzakelijke studiematerialen aan te schaffen, zoals een laptop, en geld om op kamers te kunnen gaan. Voor veel van mijn medestudenten was dat vanzelfsprekend. Ik twijfelde soms of ik wel op de universiteit hoorde.

Zelf groeide ik tweetalig op. Op school sprak ik Nederlands, maar thuis Maleis. Daardoor had ik moeite met de Nederlandse taal. Ik sprak bijna geen Engels. Dat maakte het moeilijk om de juiste woorden te vinden of goed te begrijpen wat er gezegd werd.

Ik volgde extra cursussen: Nederlands, Engels, presenteren, academisch lezen en schrijven. Ik leerde dat herhaling helpt en dat goed leren tijd kost. Aan het begin van mijn studie wist ik niet dat zulke cursussen bestonden. Informatie hierover had mij toen erg geholpen.

Selectieproces

Eerstegeneratiestudenten hebben vaak meer tijd nodig. Onderzoek laat zien dat het leveren van goede prestaties sterk samenhangt met je thuis voelen. Dit verklaart dat eerstegeneratiestudenten vaker uitvallen dan studenten die van huis uit wel de mores van de universiteit mee hebben gekregen.

Universiteiten hebben open dagen, maar dat betekent niet dat de toegankelijkheid gelijk is voor iedereen. Zodra je je vwo-diploma op zak hebt, kun je je aanmelden voor een selectieopleiding, zoals geneeskunde. Klinkt eerlijk, toch? Maar in de praktijk, zo constateerde de Onderwijsinspectie, maken jongeren van wie de ouders niet hebben gestudeerd minder kans om toegelaten te worden tot zulke opleidingen.

“ Het is belangrijk dat toekomstige artsen een afspiegeling vormen van de samenleving ”

Sinds de overstap van loting naar selectie is de studentenpopulatie van opleidingen zoals geneeskunde minder divers geworden. En dat is opvallend, want het is belangrijk dat toekomstige artsen een afspiegeling vormen van de samenleving.

Toch komt tegenwoordig het merendeel van de geneeskundestudenten uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische achtergrond. Veel van hen worden al vroeg gestimuleerd en voorbereid op een vervolgopleiding – met bijvoorbeeld dure bijlessen of trainingen om beter door de selectie te komen. Voor wie dat niet kan betalen of niet weet dat zulke trajecten bestaan, is de drempel een stuk hoger.

Maar het gaat niet alleen om bijles. Kinderen die in een gezin van artsen opgroeien, waar het beroep generatie op generatie wordt doorgegeven, krijgen automatisch meer kennis van de medische praktijk. Deze bagage heeft een eerstegeneratiestudent juist niet.

Ongeschreven regels

Op dit moment gebruiken selectieopleidingen vaak een combinatie van een motivatiebrief en een toets op locatie. Die motivatiebrief is appeltje-eitje als je goed Nederlands spreekt en als je op een schrijfcursus mag oefenen. Heb je een ouder als arts? Dan hoef je hem waarschijnlijk niet eens zelf te schrijven. En die toets? Prima te doen als je al je hele leven aan tafel hoort hoe het ziekenhuisleven werkt. Onderwijsinstellingen bepalen zelf hoe zij selecteren, als ze maar minstens twee toetsingsmethoden gebruiken.

De bagage die eerstegeneratiestudenten vaak missen – zoals kennis over hoe de zorg werkt – moet niet worden versterkt door deze onderdeel te maken van selectiecriteria en -instrumenten. Voor toekomstige eerstegeneratiestudenten is het ook allesbehalve vanzelfsprekend om al van jongs af aan voor te (kunnen) sorteren. Daar komt bovenop dat ze weleens onderschat worden en weinig geld hebben voor bijvoorbeeld bijles.

Onderzoek laat wel al zien dat het belangrijk is om de sociaaleconomische en culturele context van de aspirant-student in de selectie mee te nemen. Wellicht helpt het simpelweg te vragen: ‘Ben je de eerste uit je omgeving die arts wil worden?’ Maar helaas, dat mag wettelijk niet.

Collegegeld

Onbekend maakt onbemind. Mijn eigen motivatie kwam pas echt tot leven toen ik eenmaal in de collegebanken zat. Geld bleef een groot probleem. De studieleningen en toelages van de overheid waren niet genoeg. Ik moest mijn collegegeld, zorgverzekering, laptop en studieboeken zelf betalen. Mijn ouders gingen naar de voedselbank, dus het voelde vreemd om geld uit te geven aan boeken in plaats van hen te helpen. 

Destijds waren de basis- en aanvullende beurs ontoereikend. Daarom had ik meerdere bijbanen om mijn kosten te betalen. Dat maakte het moeilijker om mij op mijn studie te concentreren. Op dat moment had ik niet de indruk dat de universiteit zich bewust was van dit soort geldproblemen bij haar studenten.

Aan het einde van mijn promotie besloot ik iets terug te doen. Ik richtte het Eerste Generatie Fonds op aan de Universiteit Utrecht. Dit fonds helpt eerstegeneratiestudenten met financiële steun. Een mentorprogramma kan ervoor zorgen dat nieuwe studenten van ervaren studenten leren — en andersom. Samenwerking helpt om ervaringen te delen en te begrijpen wat studenten nodig hebben. Ook financiële steun kan studenten helpen om hun studie vol te houden.

Wat studeren mij als eerstegeneratiestudent verder heeft geleerd? Dat ik mezelf niet moet vergelijken met anderen. Mijn ervaringen hebben ook veel goeds gebracht. Ik leerde een brug te slaan tussen mensen met en zonder universitaire opleiding, en tussen theorie en praktijk. Dit zie ik ook anderen doen die als eerste uit hun gezin naar de universiteit zijn gegaan. Ik ontdekte dat taal belangrijk is om verder te komen, leerde zelfstandig te zijn en om hulp te vragen als ik dat nodig had. Voor de steun die ik daarbij kreeg van vrienden, docenten en andere mensen ben ik nog steeds dankbaar.

Gelijke kansen zijn een maatschappelijke uitdaging waar universiteiten iets aan kunnen doen. Ze kunnen meer steun geven aan studenten die niet uit academische gezinnen komen of weinig geld hebben en het makkelijker maken om die steun te vinden en in te zetten.

“ Eerstegeneratiestudenten kunnen het gevoel hebben dat ze in twee werelden leven ”

Voor veel eerstegeneratiestudenten is zich thuis voelen op de universiteit dus allesbehalve vanzelfsprekend; zij kunnen het gevoel hebben dat ze in twee werelden leven; die van thuis en die van de studie. Mij hielp het om van anderen te horen dat zij dezelfde ervaringen hadden. Dit zorgde ervoor dat ik me minder een buitenstaander op de universiteit voelde. Zie daar weer het belang van rolmodellen. En als er geen rolmodellen in de buurt zijn, dan is het nog meer aan de docenten om de universiteit toegankelijker te maken.

Erkenning en uitwisseling van ervaringen, zowel tussen studenten onderling als tussen studenten en medewerkers, zijn essentieel. Ik had verschillende mentoren tijdens mijn opleidingen met wie ik kon sparren over mijn loopbaan. Aandacht voor soft skills, om bijvoorbeeld een kamer te vinden, om met tegenslag te kunnen omgaan etc. kan erg helpen.

Erkenning

In onze samenleving bestaan vooringenomen ideeën over wie wel en wie niet ergens thuishoort. Onderwijsinstellingen moeten zich hiervan bewust zijn. Daarom moet je uitkijken met aannames en onterechte verwachtingen: kloppen je gedachten bij de student die voor je zit? Sta je ervoor open om die bij te stellen?

Als je jong en dus nog extra vormbaar bent, en iets hoort van iemand met een beetje autoriteit, dan is het niet gek dat je dit gaat geloven – zeker in een onbekende omgeving. Vele eerstegeneratiestudenten zullen dit herkennen. En ik ook.

Op de basisschool begon ik bijvoorbeeld met een voorlopig schooladvies voor vmbo theoretische leerweg, maar uiteindelijk belandde ik op het atheneum. Mede dankzij het vertrouwen en de motivatie van twee middelbareschooldocenten. Een cliché, maar waar: docenten kunnen, juíst bij eerstegeneratiestudenten, een cruciale rol spelen door hen zich meer thuis te laten voelen en hun nieuwsgierigheid te prikkelen in een onbekende wereld. Wat ik toekomstige eerstegeneratiestudenten zou willen meegeven: durf te vragen en praat met anderen, neem risico’s en doe wat je leuk vindt. 

In die onbekende wereld ligt overigens ook hun kracht: Eerstegeneratiestudenten zijn pioniers die op eigen kracht kloven overbruggen en verschillende sociale groepen verbinden. Zij zijn goed in het vertalen van theorie naar praktijk. Het zijn bruggenbouwers van verschillende werelden die we in tijden van grote maatschappelijke uitdagingen hard nodig hebben.