Sinds de overstap van loting naar selectie is de studentenpopulatie van opleidingen zoals geneeskunde minder divers geworden. En dat is opvallend, want het is belangrijk dat toekomstige artsen een afspiegeling vormen van de samenleving.
Toch komt tegenwoordig het merendeel van de geneeskundestudenten uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische achtergrond. Veel van hen worden al vroeg gestimuleerd en voorbereid op een vervolgopleiding – met bijvoorbeeld dure bijlessen of trainingen om beter door de selectie te komen. Voor wie dat niet kan betalen of niet weet dat zulke trajecten bestaan, is de drempel een stuk hoger.
Maar het gaat niet alleen om bijles. Kinderen die in een gezin van artsen opgroeien, waar het beroep generatie op generatie wordt doorgegeven, krijgen automatisch meer kennis van de medische praktijk. Deze bagage heeft een eerstegeneratiestudent juist niet.
Ongeschreven regels
Op dit moment gebruiken selectieopleidingen vaak een combinatie van een motivatiebrief en een toets op locatie. Die motivatiebrief is appeltje-eitje als je goed Nederlands spreekt en als je op een schrijfcursus mag oefenen. Heb je een ouder als arts? Dan hoef je hem waarschijnlijk niet eens zelf te schrijven. En die toets? Prima te doen als je al je hele leven aan tafel hoort hoe het ziekenhuisleven werkt. Onderwijsinstellingen bepalen zelf hoe zij selecteren, als ze maar minstens twee toetsingsmethoden gebruiken.
De bagage die eerstegeneratiestudenten vaak missen – zoals kennis over hoe de zorg werkt – moet niet worden versterkt door deze onderdeel te maken van selectiecriteria en -instrumenten. Voor toekomstige eerstegeneratiestudenten is het ook allesbehalve vanzelfsprekend om al van jongs af aan voor te (kunnen) sorteren. Daar komt bovenop dat ze weleens onderschat worden en weinig geld hebben voor bijvoorbeeld bijles.
Onderzoek laat wel al zien dat het belangrijk is om de sociaaleconomische en culturele context van de aspirant-student in de selectie mee te nemen. Wellicht helpt het simpelweg te vragen: ‘Ben je de eerste uit je omgeving die arts wil worden?’ Maar helaas, dat mag wettelijk niet.
Collegegeld
Onbekend maakt onbemind. Mijn eigen motivatie kwam pas echt tot leven toen ik eenmaal in de collegebanken zat. Geld bleef een groot probleem. De studieleningen en toelages van de overheid waren niet genoeg. Ik moest mijn collegegeld, zorgverzekering, laptop en studieboeken zelf betalen. Mijn ouders gingen naar de voedselbank, dus het voelde vreemd om geld uit te geven aan boeken in plaats van hen te helpen.
Destijds waren de basis- en aanvullende beurs ontoereikend. Daarom had ik meerdere bijbanen om mijn kosten te betalen. Dat maakte het moeilijker om mij op mijn studie te concentreren. Op dat moment had ik niet de indruk dat de universiteit zich bewust was van dit soort geldproblemen bij haar studenten.
Aan het einde van mijn promotie besloot ik iets terug te doen. Ik richtte het Eerste Generatie Fonds op aan de Universiteit Utrecht. Dit fonds helpt eerstegeneratiestudenten met financiële steun. Een mentorprogramma kan ervoor zorgen dat nieuwe studenten van ervaren studenten leren — en andersom. Samenwerking helpt om ervaringen te delen en te begrijpen wat studenten nodig hebben. Ook financiële steun kan studenten helpen om hun studie vol te houden.
Wat studeren mij als eerstegeneratiestudent verder heeft geleerd? Dat ik mezelf niet moet vergelijken met anderen. Mijn ervaringen hebben ook veel goeds gebracht. Ik leerde een brug te slaan tussen mensen met en zonder universitaire opleiding, en tussen theorie en praktijk. Dit zie ik ook anderen doen die als eerste uit hun gezin naar de universiteit zijn gegaan. Ik ontdekte dat taal belangrijk is om verder te komen, leerde zelfstandig te zijn en om hulp te vragen als ik dat nodig had. Voor de steun die ik daarbij kreeg van vrienden, docenten en andere mensen ben ik nog steeds dankbaar.
Gelijke kansen zijn een maatschappelijke uitdaging waar universiteiten iets aan kunnen doen. Ze kunnen meer steun geven aan studenten die niet uit academische gezinnen komen of weinig geld hebben en het makkelijker maken om die steun te vinden en in te zetten.