Opinie: Waarom de politiek meer moet doen tegen verengelsing

De Tweede Kamer nam in december 2019 een voorstel tot wijziging van de Wet op het Hoger Onderwijs en Onderzoek aan. Dat wetsvoorstel is onder meer bedoeld om het taalbeleid van de onderwijsinstellingen te actualiseren. In haar toelichting bij een eerdere concepttekst constateerde minister Van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat de wettelijke eisen met betrekking tot de instructietaal in het hoger onderwijs aan vernieuwing toe zijn omdat de behoefte aan anderstalig – lees Engelstalig – onderwijs sinds de inwerkingtreding van de huidige wet, in 1992, sterk is toegenomen.

Daarom was het nodig “te bezien […] of de wet met het oog op de huidige praktijk voldoende ruimte biedt om anderstalig onderwijs te verzorgen”. Fair enough, zal de lezer denken. Sindsdien is de wereld immers veel internationaler geworden. En daarin past het grootschalige gebruik van het Engels, de lingua franca bij uitstek.

Toch schuurt dit citaat. Het suggereert immers dat de instellingen voor hoger onderwijs al die tijd in het knellende keurslijf zaten van een wet die hen sterk belemmerde bij het ontwikkelen en aanbieden van Engelstalig onderwijs. Maar niets is minder waar. De wet dicteert weliswaar dat het onderwijs gegeven wordt in het Nederlands, een paar uitzonderingen daargelaten, maar van dat dictaat heeft het hoger onderwijs zich weinig aangetrokken. Dat geldt vooral voor de universiteiten, waarin binnen minder dan twee studentengeneraties het Engels de dominante instructietaal geworden is.

Van alle universitaire bachelor- en masteropleidingen werden er vorig studiejaar respectievelijk 29 procent en 76 procent volledig en uitsluitend in het Engels aangeboden. Daarnaast was 15 procent van de bacheloropleidingen en 10 procent van de masteropleidingen ‘tweetalig’. Dat wil zeggen dat er een volledig Engelstalig programma wordt aangeboden naast een programma dat Nederlandstalig genoemd wordt, maar waarin in veel gevallen alle hoorcolleges ook Engelstalig zijn.

Illustratie bescherm de Nederlandse taal
Illustratie: Farhad Foroutanian

Niemand kan er meer omheen: het Engels verdringt het Nederlands aan onze universiteiten. Kennelijk liet de wet zich met het grootste gemak omzeilen. Als dát de reden was de wet te willen aanpassen, dan had de minister daarin groot gelijk.

Maar intussen dreigt de herziene wet een nog tandelozer tijger te worden dan de huidige, omdat de gronden waarop mag worden afgeweken van het ‘Nederlands, tenzij’-uitgangspunt eerder verruimd dan ingeperkt lijken te worden. Onder de huidige wet mag alleen een andere taal dan het Nederlands als instructietaal gebruikt worden wanneer het onderwijs “daartoe noodzaakt”.

Onder de gewijzigde wet hoeft alleen maar te worden aangetoond dat het gebruik van een andere taal dan het Nederlands “meer dan het voeren van het Nederlands” van belang is voor het onderwijs. Dat de Raad van State constateerde dat, tegen de bedoeling in, het meerwaarde-criterium minder stringent is dan het noodzaak-criterium en mede hierom het wijzigingsvoorstel terugstuurde naar de majesteitelijke tekentafel, heeft niet mogen baten. Evenmin als een oproep van meer dan 200 hoogleraren, schrijvers en prominenten uit de maatschappelijke en culturele sector aan de Tweede Kamer om de teloorgang van het Nederlands in het hoger onderwijs tegen te gaan.

Instroom buitenlandse studenten

En dan te bedenken dat met een daadwerkelijk stringenter beleid ten aanzien van het gebruik van een andere onderwijstaal dan het Nederlands de tweede doelstelling van het wetsvoorstel – het beheersen van de instroom van buitenlandse studenten – binnen handbereik komt. Want de gestage toename van het aantal Engelstalige universitaire opleidingen is de belangrijkste oorzaak van de onstuimige groei van het aantal buitenlandse studenten.

Tussen 2014 en 2019 verdubbelde het aantal buitenlandse studenten dat hier een volledige universitaire opleiding volgt (de zogenoemde diplomastudenten) tot ruim 60 duizend, ongeveer 20 procent van alle universitaire studenten. Inclusief de hogescholen waren het er 76 duizend. Van al die buitenlandse studenten komt ongeveer driekwart van binnen de Europese Economische Ruimte (EER). Voor deze studenten ontvangen de onderwijsinstellingen een bijdrage uit de rijksbegroting. Voor de rest, de studenten van buiten de EER, worden ze niet bekostigd.

Mocht u zich afvragen of het verband tussen toenemende onderwijsverengelsing en groeiende internationale instroom inderdaad causaal is: toen de psychologieopleiding aan de Universiteit van Amsterdam in 2018 voor het eerst een volledig Engelstalig programma verzorgde, vertwintigvoudigde het aantal buitenlandse studenten ten opzichte van het voorgaande studiejaar op slag, van 12 naar 259. Uit het niets vormden zij opeens 54 procent van de totale jaargroep, een aandeel dat in 2019 verder groeide naar 60 procent. Ook in veel andere opleidingen is de buitenlandse student inmiddels in de meerderheid, met percentages tot boven de 80 procent.

“ Leent het Engels zich beter dan het Nederlands voor het adresseren van maatschappelijke vraagstukken? ”

Omdat veel van die opleidingen onverminderd populair bleven bij Nederlandse aspirant-studenten en hen de toegang natuurlijk niet geweigerd kan worden, barsten veel opleidingen nu uit hun voegen. Daarmee staat de onderwijskwaliteit op het spel en is wettelijk ingrijpen onvermijdelijk. Het wetsvoorstel regelt dat instellingen een numerus fixus mogen instellen voor volledig Engelstalige opleidingen en voor het Engelstalige traject in tweetalige opleidingen.

Tegelijkertijd wordt het aantal plaatsen voor studenten van buiten Europa gemaximeerd. Het temperen van de buitenlandse instroom door een deel van de bestaande Engelstalige opleidingen weer te vernederlandsen en zo en passant ook de taalbalans in het opleidingenaanbod te herstellen, komt in de plannen niet voor, hoe zinvol dat alternatief ook zou zijn. Want voor het gebruik van het Engels als instructietaal ontbreekt in veel van die opleidingen een inhoudelijke of economische grond.

Leent het Engels zich beter dan het Nederlands voor het adresseren van maatschappelijke vraagstukken? Hebben we in Nederland echt een tekort aan, bijvoorbeeld, psychologen en communicatiewetenschappers?

Taalvaardigheid en studieprestaties

Om nog een reden dreigt verlies van onderwijskwaliteit door grootschalige onderwijsverengelsing. Taalkundig en onderwijskundig onderzoek toont aan dat een hoge taalvaardigheid bevorderlijk is voor het ontwikkelen van academische vaardigheden zoals kritisch denken, redeneren, analyseren en argumenteren. Bovendien hebben wereldwijd letterlijk honderden meertaligheidsstudies aangetoond dat iemands taalvaardigheid in een tweede taal het bij lange na niet haalt bij die in de moedertaal.

“ Een volledig en uitsluitend Engelstalige opleiding ontzegt Nederlandse studenten het gebruik van het taalgereedschap waarmee ze optimaal kunnen presteren ”

De logische gevolgtrekking uit de combinatie van beide gegevens is dat studenten met het Nederlands als moedertaal zich beter kunnen ontplooien in een opleiding die op zijn minst grotendeels Nederlandstalig is dan in een onderwijsomgeving waaruit het Nederlands is verdampt. Met andere woorden, een volledig en uitsluitend Engelstalige opleiding ontzegt Nederlandse studenten het gebruik van het taalgereedschap waarmee ze optimaal kunnen presteren.

Voor het Nederlands valt in die opleidingen immers niet meer te kiezen. En dan te bedenken dat een deel van de Nederlandse studenten zelfs in een Nederlandstalige opleiding al talige beperkingen vertoont. Dat probleem verergert in Engelstalige opleidingen, want daarin schieten nagenoeg alle studenten talig tekort. Ter illustratie: de Engelse woordenschat van de doorsnee Nederlandse student is minstens 50 procent kleiner dan hun Nederlandse woordenschat, wat zijn uitdrukkings- en begripsvermogen in een Engelstalige opleiding aanzienlijk belemmert.

Gevolgen voor het Nederlands

Bovenmatige onderwijsverengelsing staat bovendien haaks op de wettelijk vereiste “bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands van studenten”, want die uitdrukkingsvaardigheid verbetert natuurlijk niet in volledig Engelstalige opleidingen. De studenten zullen het Nederlands in elk geval niet op academisch niveau verwerven.

De verwaarlozing van het Nederlands kan bij Nederlandse studenten zelfs leiden tot instabiliteit en gedeeltelijk verlies van hun Nederlandse taalvaardigheid, want zoals elke andere vaardigheid moet taal met zorg onderhouden worden om functieverlies te voorkomen. En die gestagneerde ontwikkeling van de Nederlandse taalvaardigheid van afgestudeerden zal doorwerken in alle maatschappelijke sectoren waarin ze na hun studie komen te werken en waarin een hoog niveau van Nederlandse taalvaardigheid vereist is – onderwijs, openbaar bestuur, politiek, media, bedrijfsleven, waar niet al.

Daarmee dreigt een verval van de Nederlandse taalvaardigheid in de Nederlandse samenleving als geheel. Het is niet voor niets dat het bevorderen van de uitdrukkingsvaardigheid van studenten door de minister gezien wordt als een kwaliteitsaspect van het onderwijs.

Bovendien bespoedigt het gebruik van het Engels als dominante instructietaal het verdwijnen van het Nederlands als wetenschapstaal, een ontwikkeling die al decennia geleden is ingezet door de wetenschappelijke staf te ontmoedigen in het Nederlands te publiceren, op straffe van gefnuikte carrièrekansen van degenen die dat beleid trotseerden. Vier eeuwen waarin het Nederlands zich als kennis- en wetenschapstaal ontwikkelde worden in een paar decennia ongedaan gemaakt!

En dit terwijl de natuur- en wiskundige Simon Stevin in de 16de eeuw woorden als middellijn, driehoek, vlak, aftrekken, delen en wortel bedacht in de volle overtuiging dat het dissemineren van  wetenschappelijke kennis via de moedertaal emanciperend werkt.

Het wetsvoorstel en GroenLinks

Van die ingrijpende gevolgen van onderwijsverengelsing lijken veel parlementariërs zich weinig bewust, waaronder de fractieleden van GroenLinks. Toen het voorstel tot wijziging van de wet in stemming werd gebracht, vormde GroenLinks samen met PvdA, PVV en Forum voor Democratie een gelegenheidsverbond van tegenstemmers. Afgaande op de besprekingen in de Tweede Kamer, de ingediende vragen, amendementen en moties, lijkt de tegenstem van PVV en Forum voor Democratie vooral ingegeven door het feit dat het voorstel geen garantie biedt op een betere bescherming van het Nederlands dan de huidige wet.

De inbreng van GroenLinks getuigt daarentegen niet van ernstige zorgen over de positie van het Nederlands. In plaats van het behoud van een sterk Nederlands in het hoger onderwijs te propageren, lijkt GroenLinks het Nederlands vooral te zien  als een belemmering voor buitenlandse studenten om hier te komen studeren. Daarvan getuigt de bij herhaling uitgesproken twijfel over nut en noodzaak van de doelstelling van het wetsvoorstel de Nederlandse taalvaardigheid van – ook - buitenlandse studenten te bevorderen.

Ook veelzeggend is de opvatting van GroenLinks dat een eis tot opname van een of meerdere Nederlandstalige onderdelen in nu nog volledig Engelstalige opleidingen – een verplichting die er niet gekomen is – hoe dan ook uit den boze zou zijn geweest. Daardoor zou de toegankelijkheid en aantrekkingskracht van het Nederlandse hoger onderwijs aanzienlijk afnemen, zo stelt de partij. Het heeft er alle schijn van dat GroenLinks het behoud van een sterk Nederlands ondergeschikt maakt aan andere belangen, in de eerste plaats haar ideaal van gelijke kansen voor iedereen, in dit specifieke geval het ideaal van gelijke kansen voor iedere student, waar ook ter wereld.

Ook andere bijdragen van GroenLinks aan het debat etaleren dit ver doorgevoerde kansengelijkheidsideaal. Zo verzocht de partij de regering (tevergeefs overigens) af te zien van een minimumtarief voor het instellingscollegegeld dat studenten van buiten Europa moeten betalen, want dat zou voor hen – waaronder studenten uit lage-inkomenslanden – de toegankelijkheid van het Nederlandse hoger onderwijs beperken. Een sympathiek idee, maar de consequentie zou wel zijn dat de universiteiten opdraaien voor de extra kosten, terwijl die al geen diepe zakken hebben.

Sinds 2000 daalde de rijksbijdrage per student met 25 procent. Dit gebeurde vooral ook vanwege de groeiende toestroom van buitenlandse studenten, waarvan lang niet alle extra kosten worden gecompenseerd door een evenredig stijgend onderwijsbudget van rijkswege.

Het kansengelijkheidsideaal van GroenLinks was vermoedelijk ook de reden waarom de partij het (aangenomen) amendement van CDA en VVD om een capaciteitsfixus in te stellen voor studenten van buiten Europa niet steunde, ook al zal de doorsnee Nederlander de doelstelling van dit amendement – het borgen van de toegankelijkheid van ons hoger onderwijs voor Nederlandse (en EER-)studenten – toch alleszins begrijpelijk en redelijk vinden. Verdringing van Nederlandse studenten is immers een reëel gevaar.

Werkdruk

Wat in de tegenstem van de GroenLinks-fractie ook kan hebben meegespeeld zijn haar – zeer terechte – zorgen over de al hoge werkdruk van een groot deel van het wetenschappelijke personeel. Die werkdruk zal nog toenemen nu de instellingen worden verplicht de Nederlandse taalvaardigheid van studenten te bevorderen zonder daarvoor extra geld te ontvangen.

De GroenLinks-fractie stelde dat de verplichting van de instellingen de Nederlandse taalvaardigheid van ook buitenlandse studenten te bevorderen alleen aanvaardbaar is als daarvoor extra middelen worden vrijgemaakt. Dat extra geld komt er niet. In dit verband diende de fractie een (verworpen) motie in die bedoeld was te regelen dat concrete eisen ten aanzien van de Nederlandse taalvaardigheid van studenten niet in de wet zelf worden vastgelegd maar bepaald worden door de instellingen zelf. De instellingen zouden dan zelf kunnen bepalen hoe en in welke mate zij het Nederlands van studenten zouden bevorderen, afhankelijk van de beschikbare financiële middelen.

Ook dit is een signaal dat GroenLinks het behoud van een sterk Nederlands ondergeschikt maakt aan andere belangen, in dit geval het beheersbaar houden van de werkdruk van het wetenschappelijk personeel.

Top 2

Wat tenslotte opvalt aan de bijdrage van GroenLinks aan het debat is dat zij – net als het gros van de Kamer en het algemene publiek – Engelstalig onderwijs en internationaliseren beschouwt als onlosmakelijk met elkaar verbonden, een misverstand dat zich vervolgens makkelijk laat vervormen tot de kwalijker misvatting dat wie pleit voor een rem op volledig Engelstalige opleidingen tegen internationaliseren is, en dus een nationalist.

“ Ook toen het onderwijs grotendeels Nederlandstalig was, behoorden Nederlandse universiteiten tot de beste 2 procent van alle universiteiten wereldwijd ”

Ook toen het Nederlandse universitaire onderwijs nog grotendeels Nederlandstalig was, waren de Nederlandse universiteiten al sterk internationaal gericht en behoorden ze allemaal tot de beste 2 procent van de 17.000 universiteiten wereldwijd. Daaraan heeft de Engelstalige publicatiecultuur ongetwijfeld bijgedragen, en mogelijk ook het feit dat veel lesmateriaal al decennia Engelstalig is. Maar het Engels als instructietaal is geen vereiste om tot die top 2 te behoren. Dat heeft de geschiedenis bewezen.

Al met al ontstaat het beeld van een GroenLinks dat de waarde van een blijvend sterke positie van het Nederlands in het hoger onderwijs onderschat en het belang van Engelstalig onderwijs voor een sterke en betrokken internationale positionering van Nederland overschat. Het kan ook zijn dat de partij zich schaart onder het leger van pragmatici die een strijd voor behoud van een volwaardig Nederlands zien als een achterhoedegevecht en daarom het hoofd in de schoot leggen.

Bij zo’n instelling is het Nederlands weerloos. GroenLinks en de Tweede Kamer als geheel hebben een gouden kans laten liggen onze taal weerbaarder te maken.

GroenLinks Tweede Kamerlid Lisa Westerveld reageerde op dit artikel. Lees haar reactie ‘Inzet voor beter Nederlands begint al vóór basisschool’

Literatuur