Het klinkt abstract, maar het effect is concreet: wie de infrastructuur beheert, bepaalt de grenzen van de werkelijkheid die wij ervaren.
Wat deze vorm van macht zo bijzonder maakt, is dat ze nauwelijks als macht voelt. We kiezen er zelf voor. We gebruiken deze platforms omdat ze snel, handig en vaak beter zijn dan het alternatief. Maar juist dat gebruiksgemak maakt ons afhankelijk en afhankelijkheid is altijd een bron van macht.
Dit voelt voor mij niet alleen als een technologisch vraagstuk, maar ook als iets politiek en cultureels. Zonder dat we het echt doorhadden, hebben we onze publieke ruimte ingeruild voor digitale platforms die niet zijn gebouwd op publieke waarden, maar op commerciële prikkels. Waar vroeger redacties, omroepen en bibliotheken bepaalden wat aandacht kreeg, doen nu algoritmen dat – gestuurd door wat onze aandacht zo lang mogelijk vasthoudt. En ik merk het ook bij mezelf: wat zichtbaar is, voelt al snel als belangrijk. Terwijl dat steeds minder betekent dat het ook werkelijk relevant is.
De vraag is daarom niet óf deze bedrijven invloed hebben – dat is evident. De vraag is hoe die invloed zich verhoudt tot een democratie die gebouwd is op transparantie en controle. Want hoe controleer je systemen die niet ontworpen zijn om gecontroleerd te worden?
Misschien begint het antwoord met een simpel besef: dat macht niet langer alleen zit waar we haar altijd zochten. En dat we, elke keer dat we gedachteloos scrollen, niet alleen consumeren, maar ons bewegen binnen een werkelijkheid die voor ons is ingericht.
Laten we wat vaker uit de algoritmefuik van Big Tech stappen. Door naar een site met journalistiek nieuws te surfen, de tv af te stemmen op een publieke omroep, een (digitale) krant te lezen of een boek.