Natuurfilosoof Baptiste Morizot vindt ons ‘medelijden’ met de natuur maar dwaas, geboren uit het idee dat de mens losstaat van de natuur. “Dat is het standpunt van de laatmodernen, die leven in een wereld die door mensenhanden is gemaakt, die als prototype voor de ‘natuur’ een mishandeld dier, een dier in een slachthuis of een zielige ijsbeer kiezen.” Iets wat groter is dan wijzelf kunnen we volgens Morizot niet beschermen. Wel kunnen we de omstandigheden creëren voor herstel, door land op te kopen om daar op grote schaal bossen de vrije hand te geven. Dat noemt hij ‘haarden van vrije evolutie’. Hij illustreert die stelling met zijn bevindingen in het Franse natuurreservaat Vercors Vie Sauvage.

In de Gorges de la Lyonne, waar het reservaat Vercors Vie Sauvage ligt, zien we hoe ongepast die eendimensionale houding is om het levende voornamelijk te bezien vanuit de hoek van kwetsbaarheid, en het hele scala aan relaties die we ermee kunnen onderhouden te reduceren tot superieur medelijden. Wanneer je in het reservaat doordringt en je je schramt aan de buxussen, je oren tuiten door het gezang van ontelbare vogels, je overweldigd wordt door de orgastische seksualiteit van het stuifmeel, het om je heen gonst van alle bedrijvige, kosmopolitische levensvormen, je voor één dag leeft als minderheid met boven je hoofd de baltsende arenden, dan voel je van binnenuit hoe ongepast het is om over de ‘natuur’ te spreken als een zwak, klein dingetje dat ‘gered’ zou moeten worden. Je ziet plotseling de schaamteloze mythe van almacht die, paradoxaal genoeg, verborgen zit in dit medelijden (de weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen). Het levende is onze wereld, als een weefsel van levensvormen die veel respect verdienen. Het zijn hogere krachten waarmee onophoudelijk onderhandeld moet worden om ervan en ermee te leven. Krachten die bol staan van tijd en gonzen van voorouderschap, die moeten worden omgezet en beïnvloed, waarmee we ondanks hun weerstand tot een vergelijk moeten komen om een kosmopolitische leefomgeving tot stand te brengen. En het is geen weerloos jong ding dat gered moet worden, het is een gul vuur dat moet oplaaien, een Vuur om te Verdedigen.

Deze wereld beschermen is niet onschuldigen verdedigen: wij zijn het levende dat zichzelf verdedigt. De intellectuele en politieke eis is nu om twee schijnbaar paradoxale dimensies bij elkaar te houden: de realiteit van de ecologische crisis (een op de acht soorten zou in de komende decennia kunnen verdwijnen) en de intrinsieke overvloed van het levende (halverwege de twintigste eeuw waren er nog enkele tientallen bevers in Frankrijk, nu zijn het er meer dan vijftigduizend, door het simpele gegeven dat de druk op hun habitat is verminderd en doordat er politieke bereidheid is om te beschermen).

Om het maar onomwonden te zeggen: de biosfeer is niet bezig te verdwijnen. Sommige mensen, die oprecht menen dat ze de zaak van het levende verdedigen, beweren stellig dat ‘het leven op aarde bezig is in te storten’. Dat is op zijn minst vaag (wat betekent ‘instorten’ precies?) en in het ergste geval volkomen onjuist en onnodig apocalyptisch (als we de metafoor serieus nemen en we ons het instorten van het levende voorstellen als het instorten van een gebouw of van een systeem, dan houdt die beeldspraak geen stand, want de grote ecologische en evolutieve functies staan niet op het punt van instorten). Kort gezegd, het levende stort niet in: de vaagheid van deze formulering en de apocalyptische zweem ervan doen geen recht aan het levende (noch aan ons: het riekt hier nog naar antropocentrische megalomanie).

Nee, de biosfeer zal niet ‘sterven’: wat op het spel staat, zijn de talloze levensvormen en hun onderlinge relaties, oeroude weefsels, en het zijn uiteindelijk onze essentiële relaties met het huidige levende (en niet met het levende op zich) die op het punt staan te verdwijnen.

cover Baptiste Morizot - Het levende laten opvlammen

We moeten recht doen aan het paradoxale karakter van de situatie: we moeten grondige kennis hebben van wat we willen verdedigen om ons niet te wentelen in zichzelf vervullende, karikaturale apocalyptische scenario’s (als ‘alles naar de haaien gaat’, verliest de energie om te beschermen richting en weten we zelfs niet waar we die moeten inzetten om van koers te veranderen).

Het is belangrijk om tegenover overdrijvingen van onheilsprofeten te leren vasthouden aan empirische integriteit, als we willen begrijpen wat er gaande is; om soms paradoxale beelden in samenhang te blijven zien. In West-Europa bijvoorbeeld draait het om het catastrofale verlies van de kleine fauna (in de allereerste plaats de insecten en de weidevogels), maar moet tegelijkertijd erkend worden dat er sprake is van terugkeer en overvloedige opleving van de macrofauna in eerder verlaten gebieden (terugkeer, een beetje geholpen door herintroductie, van aasgieren, lammergieren, steenbokken, toename van herten en reeën, terugkeer van zalm in de Allier, en tientallen andere gevallen…).

Wat verdwijnt, is van meer invloed op het functioneren van de leefomgeving dan wat terugkeert, maar het wijst de juiste vijand aan. In dit concrete geval blijkt uit deze diagnostiek dat het massale gebruik van bestrijdingsmiddelen, en breder gezien de agribusiness en de daaraan gerelateerde wereld, hier in hoge mate verantwoordelijk voor zijn.

“ 

We brengen het levende niet in gevaar, maar wat er wel gebeurt is zeker niet minder erg of tragisch

 ”

Het probleem moet nauwkeurig worden geformuleerd om te voorkomen dat het megalomane vooruitgangsdenken van de techno-industriële moderniteit zelfs doorsijpelt in de kritiek op dat vooruitgangsdenken: we brengen het levende niet in gevaar – maar wat er wel gebeurt is zeker niet minder erg of tragisch en we kunnen geen moment langer doorgaan met business as usual.

Wat we in gevaar brengen zijn duizenden levensvormen, hele lappen diversiteit, en uiteindelijk de essentiële relaties met de levende wereld die ons overeind houden, onze levensvoorwaarden dus, zoals de soorten en ecosystemen die de laatste honderdduizenden jaren samen met ons het avontuur van de evolutie hebben beleefd.

Hefbomen

Natuurlijk gaat het project van haarden van vrije evolutie in zijn eentje ‘de wereld niet redden’, maar het is een goed voorbeeld van het soort krachtige ideeën waarvan we er talloze moeten bedenken om te redden wat er gered moet worden. En het kan dienen als een vaandel voor een nieuwe ‘strijd om het vuur’, die we in vele vormen moeten leveren. Het project van haarden van vrije evolutie die zijn gecreëerd dankzij grondaankoop is interessant omdat het eigenschappen verenigt die heden ten dage uiterst wenselijk zijn voor een ecologische actiehefboom die opgewassen is tegen de crisis.

Extinction Rebellion, bijvoorbeeld, inspireert burgers die radicale actie willen, omdat ze verbitterd zijn geraakt door de eindeloze compromissen van onze politici. Dit is wat radicale actie betekent: geen compromissen meer met de exploitanten die alomtegenwoordig zijn in het beheer van openbaar grondgebied. Geen macht meer voor de lobbyisten van de agribusiness of de jacht; voor één keer staan ze erbuiten. Een heldendaad van de verdedigers van het vuur.

Willen we effectieve maatregelen? Dat kan zo: bijdragen aan de oude bossen van morgen, die behoren tot de beste koolstofopslagplaatsen van de planeet. Willen we de heerschappij van de wereld van het geld op een revolutionaire manier omverwerpen ten gunste van de levende wereld? Willen we nú merkbare effecten, een strijd op menselijke maat en resultaat dat wordt versterkt door de schaal van potentiële oude bossen van de toekomst, over achthonderd, achtduizend jaar? Dat is de weg die de verdedigsters en verdedigers van het vuur moeten volgen. Maar we moeten ook andere wegen bewandelen.

Dit is geen boek over vrije evolutie, het is een boek over actiehefbomen. Wat ons in dit concrete geval interesseert, is hoe een onschuldig, schijnbaar onbeduidend idee zich creatief ontwikkelt in aanraking met allerlei andere ideeën, die er steeds een bepaalde kant van het verhaal bij betrekken. Een bepaalde houding ten opzichte van het levende (passend respect tonen), verenigbaarheid met een ‘wereld’ in de zin van een algemeen maatschappelijk project, volwassenheid qua ecologisch beleid (geen absoluut geloof in technische oplossingen). Ideeën die erop gericht zijn de verdediging van het levende weefsel terug te vorderen, de zorg voor onze leefomgeving weer bij de burgers te leggen. De overheid moet haar rol als verdediger van het levende versterken en burgerinitiatieven steunen en stimuleren, en niet uit het spel stappen.

“ 

In Haute-Savoie hebben meerdere dorpen samen een bos gekocht

 ”

Er zijn verschillende hefbomen nodig om bos te verdedigen, van vrije evolutie tot niet-agressieve bosbouw, en allerlei gradaties daartussenin. Zelfs het Franse Staatsbosbeheer zet voorzichtige stappen op de weg van de vrije evolutie. Maar er zijn ook niet-institutionele collectieve initiatieven: in Haute-Savoie hebben meerdere dorpen samen een bos gekocht. De dorpen zoeken naar een mogelijkheid om er een gemeenschappelijk goed van te maken en denken na over passend respect waarmee de dynamiek van het levende verdedigd kan worden. Dit is een voorbeeld waarbij burgers zich de verdediging van het weefsel van het levende opnieuw toe-eigenen. Het zijn combinaties van concrete ideeën die, in samenhang, de wereld op haar as kunnen terugzetten, zodat die op een ander spoor kan komen, een weg van minder weerstand, in harmonie met het levende.

Ik kan hier geen recht doen aan alle hefbomen die overal worden bedacht. In het veld gonst het ervan; de inventiviteit van actievoerders die zich inzetten voor een levend gebied waaraan ze gehecht zijn, is onuitputtelijk. Zo’n hefboom is een idee dat moet worden beschouwd vanuit onderlinge afhankelijkheid. Het gaat om een idee dat, zelfs lokaal, moet strijden voor ‘een wereld’ tegen ‘een luchthaven en de daaraan gerelateerde wereld’. Het moet het dualisme van mens tegenover ‘natuur’ overstijgen. Het moet plaatsvinden in een cultuur van strijden voor het levende. Als zo’n idee is gevonden, hoeven we er alleen nog collectief energie in te steken. En zeg nu zelf, wat kunnen we beter doen met onze tijd?