In mijn laatste jaar als scholier in België had ik een leraar Frans genaamd P. Hij was een Waal van middelbare leeftijd met lang grijzend haar in een paardenstaart, altijd gekleed in een bruin leren jasje en een sjaal. Zijn Nederlands was nogal gebrekkig, waardoor het voor mij en mijn klasgenoten altijd een mysterie is geweest hoe deze man ooit aangenomen was op een Vlaamse (en nogal flamingante) middelbare school waar het niet toegestaan was voor leerlingen om onderling Frans te spreken buiten de Franse les. P. daarentegen sprak uitsluitend Frans tijdens en buiten de les. Dit was het enige deel van zijn onderwijs dat als onderdeel van het vak Frans kon worden gezien. Hij was, zo vermoed ik, van mening dat er weinig meer te redden viel als leerlingen tegen het laatste leerjaar het Frans nog niet onder de knie hadden.

Getekend portret Joseph de Maistre
Joseph de Maistre

In plaats daarvan had hij besloten om zijn lessen om te bouwen tot wat in feite een inleiding in de sociale wetenschappen was. Een onderwerp waar hij in het bijzonder veel aandacht aan besteedde was de ideologie van het nazisme, antisemitisme en de betekenis van de Shoah. Het gerucht ging dat een familielid van P. tijdens de Tweede Wereldoorlog vrijwilliger voor de Duitsers was geweest aan de kant van de Rexisten, een Belgische fascistische beweging.

P. probeerde meer te doen dan ons vertellen wat het gedachtegoed van de nazi’s was. Hij poogde ons ook een begrip mee te geven van de ideologische ’grammatica’ van antisemitisme en nazisme. Meer zelfs: hij wilde ons een inzicht geven in deze ideologieën door ons deze niet enkel te laten begrijpen, maar zelfs te laten voelen alsof wij er zelf van overtuigd waren – een antifascisme middels vaccinatie.

Ik herinner mij nog dat hij ons een scène liet zien uit Leni Riefensthals Triumph des Willens, de propagandafilm uit 1935 over het partijcongres van de NSDAP van 1934. Op de tweede dag van het congres wordt er een demonstratie gehouden door tienduizenden Arbeitsmänner van de Reichsarbeitsdienst. Zij staan allen op een rij voor Hitler, met schoppen rustend op hun schouders. De Führer groet hen, en zij antwoorden als één. Er volgen twee orders, en tienduizenden schoppen rusten op de grond. Tromgeroffel volgt, en dan spreken zij: “Hier stehen wir, wir sind bereit, wir tragen Deutschland in die neue Zeit. Deutschland!

Riefenstahl maakt een close-up van een van de Arbeitsmänner. De man vraagt: “Kamerad, woher stammst du?” Kalm antwoord één: “Aus Friesenland.” Hij vervolgt: “Und du, Kamerad? Aus Bayern. Und du? Vom Kaiserstuhl. Und du? Aus Pommern.” De Arbeitsmänner wachten niet langer op de vraag, maar kondigen in steeds sneller tempo aan: “Und aus Königsberg. Aus Schlesien. Von der Waterkant. Vom Schwarzwald. Aus Dresden. Von der Donau. Vom Rhein. Und von der Saar.” Alle stemmen komen weer samen en sluiten af met het beruchte credo “Ein Volk. Ein Führer. Ein Reich. Deutschland!

“ Ideologie draait ook om een gemoedsaard die mensen beweegt ”

De symbolische en esthetische kracht van deze scène was overdonderend. Tegelijkertijd daagde bij ons het begrip van de structuur, de logica en de uitkomsten van het nazisme en andere extreem- en radicaal-rechtse ideologieën. Dit zorgde ervoor dat de overrompeling door de overtuigingskracht van fascistische propaganda gepaard ging met een besef van de walgelijkheid van het fascisme. Het is deze aanpak, die men wellicht ’empathisch’ – gericht op inleving – zou kunnen noemen, die mij leerde dat ideologie niet alleen om waarden draait, of om een voorkeur voor markt of overheid, maar ook om een bepaalde gemoedsaard die mensen beweegt.

De geboorte van de reactie

De Nederlandse politiek kon zichzelf voor een lange tijd niet genoeg prijzen voor de bewuste zelfonthouding van eender welke vorm van ideologische maatschappelijke visie. Helmut Schmidts adagium "wie visies heeft, moet naar de dokter" maakte lang deel uit van het Haagse gemeengoed en was een favoriet van Mark Rutte.

Dat is vandaag de dag niet meer het geval. Met name op de rechterflank is er weer sprake van een nieuwe passie voor ideologie die zich sterk afzet tegen de hoofdstroom van de liberale democratie en daarbij niet terugdeinst voor intimiderend of gewelddadig taalgebruik. Het is dan ook niet ongebruikelijk om deze nieuwe rechtse politiek fascistisch te noemen, maar voor mij schuurt er iets. Terugdenkend aan de lessen van P. mis ik te veel van het fascisme in de huidige rechtse politiek. Dit zijn geen zwarthemden die de ’massa’ in revolutionaire vervoering willen brengen. Er is, volgens mij, sprake van iets dat ouder is, maar niet minder duister: de terugkeer van de reactie.

De oorsprong van de reactie ligt in het midden van de Franse Revolutie. De term werd gebruikt om hen aan te duiden die een terugkeer naar het Ancien Régime verlangden. In zijn politieke betekenis is de term ouder dan het begrip conservatisme, maar het verschil gaat dieper dan dat. In navolging van de Franse Revolutie ontwikkelde het conservatisme zich al snel tot een politieke stroming die een herhaling wilde voorkomen van wat zij zag als de chaos van 1789, met Edmund Burke voorop.

Ontsteld door de in zijn ogen losgeslagen anarchie die de Franse Revolutie teweeg had gebracht, jaren vóór de aanvang van de Terreur onder Robespierre, schreef deze Britse parlementariër het pamflet Reflections on the Revolution in France. In deze hevige polemiek wees hij op het belang van matiging, ‘correctie’ en bovenal behoudendheid als de leidende politieke beginselen die de revolutionairen in de wind hadden geslagen. Burke erkende echter dat verandering en botsende belangen onvermijdelijk zijn. Zo stelde hij in zijn pamflet, in respons op een Franse aristocraat:

“...action and counteraction, (...) in the natural and in the political world, from the reciprocal struggle of discordant powers draw out the harmony of the universe. They render deliberation a matter, not of choice, but of necessity; they make all change a subject of compromise, which naturally begets moderation; they produce temperaments, preventing the sore evil of harsh, crude, unqualified reformations, and rendering all the headlong exertions of arbitrary power, in the few or in the many, forever impracticable.”

De Britse conservatieve filosoof Roger Scruton vatte deze gedachte van Burke samen als het bestuurlijke principe van ‘wettelijke oppositie’. Deze conservatieve leidraden vinden hun wortel in de gemoedsaard die Burke prejudice noemde, bevooroordeeldheid. Het kan vreemd overkomen vanuit onze culturele context dat Burke dit met veel zelfvertrouwen presenteert als een legitieme inspiratiebron. Burke kwam echter uit een politieke traditie die de grondwet van het Verenigd Koninkrijk, bestendigd tijdens de Glorious Revolution van 1688, zag als de uitkomst van de inzet van vele generaties die hun rechten verdedigden tegenover de uitoefening van willekeurige macht door de vorst.

De bevooroordeeldheid die hij voorstaat, is niet simpelweg een synoniem voor wantrouwen of onverdraagzaamheid. Het betreft een gehechtheid aan het bestaande; een letterlijk oordeel voorafgaand aan beschouwing dat de status quo de vrucht is van het werk en verstand van vele generaties en daarom waardevol is. In de woorden van Burke:

“We procure reverence to our civil institutions on the principle upon which nature teaches us to revere individual men: on account of their age and on account of those from whom they are descended.”

Omwentelingen zoals in Frankrijk zijn in dit wereldbeeld dan ook ongewenst en gevaarlijk. Dat betekent niet dat verandering als zodanig uit is gesloten, maar voor conservatieven rust er een zware bewijslast op degenen die voor verandering pleiten. Daarbij geldt ook de voorwaarde dat deze stapsgewijs moet zijn.

Burke was echter lang niet de enige intellectueel die zich bezighield met de gebeurtenissen in Frankrijk. Aan de andere kant van Europa, in het aan Frankrijk grenzende Savoye, toen nog onderdeel van het koninkrijk Piëmont-Sardinië, ontwikkelde de Savoyaardse aristocraat Joseph-Marie, comte de Maistre zich tot een van de meest compromisloze intellectuele tegenstanders van de Franse Revolutie. De aanvankelijk gematigde magistraat raakte, evenals Burke, al snel gechoqueerd door de revolutionaire gebeurtenissen in Frankrijk.

In september 1792 bereikte het revolutionaire geweld zijn geboortestreek Savoye toen het Franse Revolutionaire Leger binnenviel. Het Sardijnse leger bood geen weerstand en De Maistre vluchtte over de Alpen naar Turijn. De komende vijf jaar zou hij zich, namens de koning van Piëmont-Sardinië, als diplomatieke vertegenwoordiger inzetten voor het lot van vluchtelingen uit Savoie vanuit Lausanne, Zwitserland.

Het was daar dat hij zijn contrarevolutionaire gedachten op papier begon te zetten. In de decennia die volgden, een deel waarvan hij in Rusland doorbracht als ambassadeur, ontwikkelde hij een veelzijdige kritiek op de Franse Revolutie die de kern van de reactionaire gedachtegoed genoemd kan worden. Zijn grootste aanval op de Revolutie, en alles waar zij voor stond, pende hij neer in de Considérations sur la France, een ogenschijnlijke verwijzing naar Burke, wiens werk De Maistre bewonderde, al was het van een geheel andere aard.

“ De bekommernis om soevereiniteit is typerend voor reactionair denken ”

De grote misdaad die ten grondslag lag aan de Franse Revolutie was, voor De Maistre, de executie van Lodewijk XVI en daarmee “de aanslag op soevereiniteit”. Meer nog dan de revolutionairen, was het ‘de rede’ die volgens hem de Franse koning had gedood. Daarmee raakt de macht ontheemd, verdreven van haar rechtmatige plaats.

De bekommernis om soevereiniteit is typerend voor reactionair denken. Anders dan Burke verwierp De Maistre de Franse Revolutie niet vanwege haar excessen. Zij was voor hem kwaadaardig als zodanig, verstoken van enige verlossende kenmerken. Dit was niet zozeer vanwege de gewelddadigheid van de revolutie, het was bovenal vanwege “een onbehoorlijke hoererij van redeneringen en alle woorden voor het uitdrukken van ideeën van rechtvaardigheid en deugd”.

De strijd van rede met religie – waaronder hij verstond ritueel, mysterie en ondoorgrondelijkheid verheven tot dogma – was de erfzonde van de Franse Revolutie. Voor De Maistre was onredelijkheid niet het gebrek van religie maar juist haar kracht. Haar duurzaamheid, ondanks dat zij zo ondoorgrondelijk, zo onredelijk, was, was voor hem bewijs dat religie door een goddelijke macht in stand werd gehouden.

De overtuiging dat er verborgen krachten bestaan die de wereld sturen zou een centraal thema worden in het reactionaire denken. Rede was echter niet enkel een gevaar voor de religie. De samenleving als zodanig werd door haar bedreigd.

Instituties steunen, volgens De Maistre, fundamenteel op religieuze ideeën; hoe sterker zij deze incorporeren, hoe veerkrachtiger zij zullen zijn. De rede, daarentegen, ontleedt, ondervraagt en ondermijnt zodoende alles waar zij zich op richt. Zij is daarmee tegengesteld aan het principe van instituties. De rede is niet gevaarlijk omdat zij abstract is, maar omdat zij profaan is. De legitimiteit van macht berust voor De Maistre niet op het afleggen van rekenschap maar op sacraliteit.

Dit is de kern van het onderscheid tussen de reactie en andere rechtse stromingen. De gedrevenheid om de samenleving te vormen naar een sacraal principe, om delen ervan te wijden, om categorisch af te wijzen wat er niet mee overeenstemt, dat is de reactionaire overtuiging.

“ Zonder het sacrale bestaat er voor de reactionair geen samenleving ”

Dit sacrale principe kan zowel seculier of godsdienstig zijn. Kenmerkend is dat het sacrale ervaren wordt als iets absoluuts, verheven boven twijfel, dat eisen stelt aan hoe de samenleving ingericht moet worden. Alles wat er los van staat is profaan. Zonder het sacrale bestaat er voor de reactionair geen samenleving. Zoals De Maistre schreef: "Overal waar u een altaar zult vinden, daar bevindt zich de beschaving.”

De conservatief en de reactionair komen dan ook overeen met de persoonlijkheidstypen die de filosoof Isaiah Berlin respectievelijk de vos en de egel noemde, naar een vers van de Oud-Griekse dichter Aesopus (“De vos weet veel kleine dingen, maar de egel weet één groot ding”):

“...there exists a great chasm between those, on one side, who relate everything to a single central vision, one system, less or more coherent or articulate, in terms of which they understand, think and feel – a single, universal, organising principle in terms of which alone all that they are and say has significance – and, on the other side, those who pursue many ends, often unrelated and even contradictory, connected, if at all, only in some de facto way, for some psychological or physiological cause, related to no moral or aesthetic principle.”

De authentieke conservatief is een vos. Deze neemt de wereld zoals hij is in al zijn verscheidenheid en tegenstellingen zonder behoefte om deze of gene blauwprint op te leggen aan de wereld. De reactionair is daarentegen een archetypische egel, bezeten door het idee van de sacraliteit van macht.

Eerbied en ontzag

Het is in de fixatie met het sacrale dat de gemoedsaard van de reactie gezocht moet worden. In zijn essaybundel The Shipwrecked Mind: On Political Reaction stelt de politicoloog Mark Lilla dat reactionairen vooral door ‘politieke nostalgie’ bewogen worden, een geloof in en verlangen naar een ‘Gouden Eeuw’. Berlin toont dat het een fout is om nostalgie te zien als het reactionaire gevoel bij uitstek. Het is eerder de awe, zoals men in het Engels zegt, – een gevoel van eerbied en ontzag – die de kern vormt van het reactionaire temperament.

In het midden van de jaren zestig werd Berlin uitgenodigd om een reeks lezingen te houden in de Verenigde Staten. Hij wijdde deze aan een korte ideeëngeschiedenis van de romantische stroming in de achttiende en negentiende eeuw en besprak onder andere het denken van de ‘ongeremde romantici’. Zij stelden, aldus Berlin, dat de werkelijkheid doordrongen was van een bepaalde kwaliteit, een soort ‘oneindig voorwaarts streven’. Het is onuitdrukbaar, maar heeft een greep op ons die ons dwingt haar diepzinnigheid te verwoorden. Een onderneming zonder einde en daarom, aldus Berlin, hebben de kunstwerken die deze kwaliteit tot uiting willen brengen iets onuitputbaars. Voor reactionairen, zo is mijn stelling, belichaamt deze kwaliteit het sacrale.

Berlin observeert dat onuitputbaarheid twee verschillende uitwerkingen had binnen het westerse gedachtegoed. De eerste: nostalgie, aangezien “the infinite cannot be exhausted, and since we are seeking to embrace it, nothing that we do will ever satisfy us”. Niet de nostalgie naar de eigen kindertijd of die van zomeravonden, maar een rusteloze woelende nostalgie van streven.

De andere mogelijkheid, aldus Berlin, was paranoia. Op hetzelfde moment, midden jaren zestig, schreef de historicus Richard Hofstadter een analyse over radicaal-rechts in de VS. Hij sprak van de ‘paranoid style’, een vorm van politieke zelfuitdrukking die sterk aansluit op Berlins beschrijving van de herkomst van paranoia in de Romantiek:

“There is a notion that although we individuals seek to liberate ourselves, yet the universe is not to be tamed in this easy fashion. There is something behind, there is something in the dark depths of the unconscious, or of history; there is something, at any rate, not seized by us which frustrates our dearest wishes.”

In dezelfde trant stelde Hofstadter over de paranoïde stijl dat “its exponents (...) regard a ‘vast’ or ‘gigantic’ conspiracy to be the motive force in historical events”. Er was daarnaast sprake van een apocalyptische neiging die “dangerously near to hopeless pessimism” kwam.

Ook Berlin zag paranoia als verbonden met een angstige of pessimistische blik, waardoor de diepte, de ongrijpbaarheid van de wereld beschouwd wordt als “a huge, powerful, ultimately hostile force”, die niet zelden in termen van samenzweringen wordt begrepen.

Een harmonie herstellen die nooit geweest is

Awe ten overstaan van het ongrijpbare sacrale kenmerkt de reactionair. Het sacrale vereist wijding. Dit houdt het verankeren en van de rest van de samenleving afscheiden van het sacrale in.

De moderniteit biedt echter geen kans om iets vast te binden. Max Weber, die van de onttovering van de wereld sprak, stelde dat vast, net als Karl Marx, die schreef dat “al het heilige wordt ontwijd, en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te aanzien.” Voor de reactionair staat ontwijding echter gelijk aan heiligschennis. Hij verzet zich tegen ontnuchtering en ermee geconfronteerd ervaart hij enkel gram, afschuw en onbehagen. Dit is wat het reactionaire temperament een onheilspellende draait geeft en richting politieke actie duwt.

Waar de soevereiniteit en sacraliteit van de machtszetel onder druk staan door een roep om democratisering, zal de reactionair zich hiertegen verzetten. Dat betrof aanvankelijk de macht van absolutistische vorsten en waar dezen inbonden of geheel verdwenen (zoals in het Portugal van Salazar) die van de autoritaire staat. Dat is ook waarom reactionairen zich vaak onder de noemer van conservatief scharen; al is de achterliggende redenering een andere, zullen ze bij tijd en wijle verenigbare standpunten innemen.

Waar macht al gedemocratiseerd is, staat de reactionair de herstelling van de soevereiniteit van macht voor. Dit betekent dat de reactionair een autoritaire inrichting van de politiek voorstaat: om inbreuk op de ‘juiste’ orde te voorkomen, of om het herstel hiervan opnieuw te handhaven.

“ Er is geen ruimte voor compromis of incrementalisme ”

Meer dan van een principiële vorm van conservatisme, is er sprake van een politiek die in de greep is van één verbindend thema: terugkeer, en daarmee, reactie. Tegen wat? Tegen de richting die de samenleving heeft genomen, tegen de huidige manier van leven. In tegenstelling tot conservatisme is het reactionaire temperament fundamenteel ongenegen om zich neer te leggen bij de onvermijdelijkheid van verandering. Er is geen ruimte voor compromis of incrementalisme. 

Reactionairen gaan uit van de corrumperende invloed van progressieve ideologieën als zodanig. Dit in tegenstelling tot conservatieven, die sceptisch zijn tegenover het ongeremd toepassen van progressieve ideeën, maar accepteren dat deze deel kunnen gaan uitmaken van de maatschappij. Hun prescriptie voor de maatschappij is daarom ook anders. Waar een conservatief geleidelijkheid, behoudzucht en terughoudendheid voorschrijft, daar predikt de reactie een utopie van de terugkeer. Naar wat? Naar een ingebeelde toestand waarin soevereiniteit weer in ere hersteld is, weer zijn gewijde, sacrale plaats heeft herwonnen.

Deze herstelling is een mythe, een harmonie die nooit bestaan heeft. Tot dusver zou men dit project kunnen afdoen als een bij voorbaat verloren quixotische queeste. Niettemin leek De Maistre aanvankelijk de ideologische winnaar, toen in 1815 op het Congres van Wenen de restauratie van de prerevolutionaire orde bezegeld werd. Al was het een illusie, velen geloofden er daarom niet minder in. De reactie had gewonnen en gedurende de negentiende eeuw probeerde een maatschappelijke elite haar visie met dwang op te leggen aan de samenleving.

Het vereiste halsstarrige blindheid ten overstaan van maatschappelijke problemen zoals het arbeidersvraagstuk of koloniale uitbuiting. Hoe meer het begon te wringen, hoe krampachtiger men probeerde deze visie na te jagen. Tot de Eerste Wereldoorlog, toen alle aannames waarop de westerse samenleving berustte uiteenbarstten. Het was pas daarna, in de wanorde van het interbellum, dat onder andere het fascisme opkwam. Een beweging die zonder twijfel verwant is aan de reactie, maar er ook aanzienlijk van verschilt en er zelfs onverenigbaar mee kan zijn.

Reactionairen en fascisten

Fascisten beschouwden zichzelf veelal als een revolutionaire massabeweging van het volk en waren gefascineerd door technologische modernisering. In hun ultranationalisme waren naties de protagonisten op het wereldhistorische toneel. Het was een nationalisme dat verder ging dan het idee van een gemeenschap gebonden door taal, cultuur of zelfs afkomst. De natie was niet zomaar een uitdrukking van een gemeenschappelijke deler tussen individuen of groepen. Het waren juist de leden die een uitdrukking van de natie vormden.

Reactionairen hadden daarentegen vooral oog voor de handelingsvrijheid van de elite; de rest van het volk verdiende vooral argwaan. Ook verschilt de totalitaire ambitie van het fascisme om elke sfeer van de samenleving te doordringen met zijn ideologie van de reactionaire impuls om de zetel van de macht gelijk een heiligdom te behandelen dat gescheiden moet blijven van de rest van de samenleving. De twee stromingen delen het verwijt dat de moderniteit alle zekerheden, alle eenheid in de samenleving ondermijnt. Maar het fascisme zag een simpele terugkeer als onmogelijk. Waar reactionairen zoveel mogelijk de status quo ante in ere wilden herstellen was voor fascisten vooruit, altijd vooruit, maar mét zekerheid, mét eenheid, de enige uitweg.

Na de nederlaag van het fascisme in 1945 werd ook de reactie gemarginaliseerd. De strijd om het ideologische overwicht vond vooral plaats tussen wereldbeschouwingen van de rede: communisme, liberalisme, sociaaldemocratie. Zelfs andere politieke stromingen zoals conservatisme en christendemocratie bedreven politiek veelal naar maatstaf van de rede.

“ De afgelopen jaren zijn de reactionairen uit hun hol gekropen ”

Decennialang was dat de stand van zaken, maar in de afgelopen jaren zijn de reactionairen uit hun hol gekropen. Zij laten zich steeds openlijker en vol zelfvertrouwen gelden in het publieke debat en in de politiek, zowel in Nederland en Europa als daarbuiten.

Die wereld van vóór 1914, waar de macht de overhand had en ieder zijn plaats moest kennen, dát is de zogenaamde ‘harmonie’ die reactionairen willen herstellen. De dominantie van de uitvoerende macht binnen de staat en van de staat over de samenleving. In het verlengde daarvan ligt een keten van verdrukking. De heerschappij de man over het gezin, van de werkgever over de werkvloer, van de agent over de burger.

Als doctrine was de reactie altijd wazig, maar zij streefde voorheen meestal wel naar een sterke positie voor religieuze instituties en uitte zich in een affiniteit met monarchie. Zij behoefde geen persoonlijkheidscultus zoals het fascisme. Reactie staat eerder welwillend tegenover oligarchen – zo dominant in de wereld van voor de Eerste Wereldoorlog en wellicht sterker vandaag dan ooit tevoren – dan tegenover charismatische dictators.

Waar blijft dan het sacrale element? Dit ligt in de rol van de staat als hoeder van de samenleving tegen de samenzwering die de reactionair overal meent te zien en die volgens hem de samenleving dreigt te ondermijnen. De wrijving tussen de reactionaire drang naar stabiliteit en ontzag enerzijds en de veranderlijkheid van de moderniteit anderzijds brengt de ‘paranoid style naar boven. De macht van de staat is het middel waarmee de reactionair zijn visie wil opleggen. De staat moet in die visie een complotdenker worden met hogere kennis over de heimelijke vijanden.

De reactie is een ‘harmonie’ die in de twintigste eeuw vele namen heeft gehad – Franco, Salazar, Pinochet, Videla, om er een paar te noemen – en wier slachtoffers nog meer namen hebben gehad. Vandaag de dag vertegenwoordigt bijvoorbeeld Poetin deze harmonie. Telkens weer laat de reactie een spoor van geweld, angst en onderdrukking achter. Haar volledige wedergeboorte voorkomen is een van de grote uitdagingen van deze tijd voor democraten.