Vrijheid en het gemeenschappelijke zijn immers geen tegenstelling, maar elkaars voorwaarde. Want we zijn geen verzameling meningen en pinpassen. We zijn een gemeenschap met handelend en producerend vermogen. Vooruitgang ten goede bestaat alleen als onze gemeenschappen dat vermogen benutten. Het is hoog tijd – en geen moment te laat – om dit weer centraal te stellen in ons politiek handelen. Want vrijheid realiseer je niet in je eentje. Whatever the problem, community is the answer.
Laten we ondertussen constateren dat we markt en staat nog steeds overschatten, terwijl we elkaar onderschatten en wat we samen voor elkaar kunnen krijgen. Het wordt tijd dat we ons herinneren dat, naast overheidssturing en marktwerking, samenwerking ook ‘gewoon’ een manier is om dingen gedaan te krijgen. Waar markt en staat naar hun aard tekortschieten in het bieden van toegang tot basisbehoeften voor iedereen of het beschermen van gemeenschappelijke waarden, blijkt het domein van de gemeenschap juist over de benodigde flexibiliteit en variëteit te beschikken.
Toen en nu
In de geschiedenis zijn grote vraagstukken dan ook altijd opgelost in gemeenschapsverband, voor het laatst grootschalig in de tweede helft van de vorige eeuw. In verbanden waarin samenwerken het werkwoord was. Want naast het collectieve en het commerciële domein was er altijd al dat derde domein waarin mensen zelf organiseren wat zij nodig hebben: het coöperatieve domein.
Ook onze beweging kent die kracht: de woningbouwvereniging, de onderlinge verzekering en scholen, de landbouwcoöperatie, de kruisvereniging en de coöperatieve banken. Het was niet alleen goedkoper en sneller, maar vaak ook gezelliger, lokaal passender, energieker, gevarieerder, levenskrachtiger en democratischer.
Om coöperatieven te realiseren toomden we eerst de adel en daarna het kapitalisme in, met de staat in een cruciale, voorwaardenscheppende maar begrensde rol: een stevige rechtsorde die eigendomsverhoudingen regelt, arbeidsrecht dat uitbuiting tegengaat, volksgezondheidswetten die minimumeisen stellen. Grote sociale wetten kwamen niet uit de lucht vallen, maar bouwden voort op wat mensen onderling organiseerden. De AOW op het collectemandje, de WW op de steunkassen van vakbonden, de Ziekenfondswet op de onderlingen. Regelingen werden verplicht en universeel, maar ook ervaren als legitiem en verbonden, door ons allemaal bij elkaar gepolderd.
Dit is niet alleen onze Nederlandse geschiedenis. De econoom Elinor Ostrom kreeg eind vorige eeuw de Nobelprijs voor haar onderzoek naar hoe lokale gemeenschappen wereldwijd gedurende eeuwen effectieve beheermodellen ontwikkelden voor hun commons, hun gezamenlijke hulpbronnen. Van irrigatiesystemen in Spanje tot Alpenweiden in Zwitserland, van visgronden in Japan tot onze eigen waterschappen. Anders dan bij verdienmodellen staat hier niet het maximaliseren van opbrengst centraal, maar duurzaam beheer zodat ook toekomstige generaties kunnen profiteren. Niks tragedy of the commons dus.
Deze lokale beheermodellen zijn gebaseerd op coöperatieve principes als heldere grenzen, eerlijke verdeling van lusten en lasten en lokale controle over gezamenlijk vastgestelde regels. Gebruikers zijn mede-eigenaar, ontwikkelen gedeelde verantwoordelijkheid en maken daar afspraken over. Sociale banden vormen daarbij de voorwaarde voor effectief beheer, terwijl dat gezamenlijke beheer die banden weer versterkt. Leg samen een dijk aan die je beheert en benut, en voilà: er is plek voor een weg, een noodzaak om je tot elkaar te verhouden, en voor je het weet onderneem je samen nog iets anders. Rendement in ruil voor risico is daarbij prima – je moet het alleen niet overdrijven.
Vandaag spreken we over energiegemeenschappen, zorgcollectieven en wooncoöperaties, maar het gaat ook ‘gewoon’ over buurten, fanfares en bedrijvenparken. Een buurtcompostproject maakt van ‘afvalproducenten’ ineens ‘grondstofbeheerders’ die samen iets nieuws creëren. De gebruiker van het buurthuis wordt programmeur. Niet als opgelegde plicht, maar als bevrijdende mogelijkheid om betekenisvolle relaties aan te gaan met anderen en met de wereld om ons heen. Omdat jij het waardevol vindt – en anderen ook.
Geen harmonieus burenparadijs
Is het coöperatieve domein dan een harmonieus burenparadijs waar iedereen elkaars billen wast en neuzen vanzelf dezelfde kant op staan? Uiteraard niet. Juist in het coöperatieve domein botsen visies en belangen voortdurend. Daar is het voor. “Het democratisch experiment is eindeloos, tenzij we het laboratorium opblazen. De explosieven daarvoor zitten in onszelf”, stelt democratisch activist Parker J. Palmer terecht.
Terwijl we praten over ‘de gemeenschap’, verhullen we vaak wie daar wel en niet bij hoort. Zoals gezegd: de grens die je trekt is bepalend. Gemeenschappen zijn nooit neutraal. Het park, het zwembad, de wijkvergadering, het schoolplein, de straat: ze worden door verschillende mensen heel anders ervaren. Sommige lichamen bewegen zich er vanzelfsprekend, terwijl andere worden bekeken, gecontroleerd of weggestuurd. Denk aan jongeren met hoodies in winkelcentra, dakloze mensen in parken, mensen van kleur in ‘verkeerde’ buurten.
Structurele ongelijkheid, geworteld in kolonialisme, kapitalisme, paternalisme, racisme, seksisme en validisme, los je niet op door te stellen dat ‘de gemeenschap’ dat wel kan. (Al is dit wel het domein waarin het moet gebeuren.) Wat we samen produceren en beheren is dus niet onschuldig of puur. Ook dat is politiek.