Ik durf de stelling wel aan dat overal ter wereld en in alle tijden wij mensen dezelfde basisprincipes van coöperatief gedrag als ‘moreel goed’ beschouwen: verwanten helpen, loyaal zijn aan je gemeenschap, gunsten beantwoorden met wederdiensten, moed tonen als dat nodig is, tijdelijke rollen en hiërarchieën accepteren waar dat nuttig is, rechtvaardig verdelen en respect hebben voor andermans eigendom. Dit zijn geen regels van bovenaf, maar algemeen geldende principes waarop mensen samenleven en samenwerken. Ongeacht levensbeschouwing gelden deze samenwerkingsprincipes voor iedereen.

Daarnaast geldt: we willen vrijheid en autonomie, maar we willen ook ergens bij horen, gekend worden en van betekenis zijn. Gemeenschappelijkheid dus. Dat verlangen is geen nostalgie, maar essentieel voor het sociale weefsel waarvan ons samenleven is gemaakt. (Laat je niet aanpraten dat dit alleen iets is van conservatieve mensen. Ook veel progressieve mensen zijn wertkonservativ: zij willen verandering met behoud van dit soort essentiële waarden. Ik in elk geval wel.) Maar hoe doen we dat, het gemeenschappelijke organiseren?

In vrijheid samenwerken

Heel bepalend voor de inrichting van de samenleving is de grens die je trekt rond jouw gemeenschap. Tussen wie is er uitwisseling van gunsten en wederdiensten en wie sluit je daarvan uit? Aan wie ben je loyaal, en wie beschouw je als vijand? Wat is rechtvaardig verdelen en wanneer is iets ‘van’ iemand? Onder welke omstandigheden ken je iemand of een institutie autoriteit toe? En wat heb je nodig om die ook weer af te nemen, zodat positiemacht niet almaar uitbreidt, maar rollen en hiërarchieën in balans blijven ten dienste van het algemeen belang? 

Zolang we een samenleving werkend en levenskrachtig houden, zijn we bezig met het beantwoorden van deze vragen. Dat is het gemeenschappelijke organiseren.

Illustratie samenlevingsopbouw
Illustratie: Arianne Faber.

Dat speelt wanneer je er met je VvE uit moet komen hoe jullie je flat gaan verduurzamen. En ook wanneer, godbetert, een gouverneur in de VS mensen oproept om vredelievend te blijven terwijl de knokploegen van Trump mensen uit hun auto sleuren of doodschieten. 

Maatschappelijke vraagstukken, welke dan ook, vragen niet om individuele heldendaden en niet om top-down oplossingen van techbro’s en technocraten. In de buurt, tussen bedrijven, onder vak- of lotgenoten, in welk verband dan ook: het gaat om gemeenschap maken.

De hoogste vorm van autonomie is niet geïsoleerde onafhankelijkheid, maar het vermogen om in vrijheid samen te werken zonder jezelf daarvoor te hoeven inleveren. Met als bonus dat we zo gezamenlijk nieuwe mogelijkheden maken die voor individuen onbereikbaar zouden blijven. (Ditzelfde geldt op groeps- en landenniveau.) 

We zijn er als mensen voor gemaakt en hebben onze democratische rechtsstaat en internationale orde niet voor niets zo ingericht: als een samenleving die zichzelf bestuurt in een werkbare samenhang. Dat is de basis van democratie.

Community is the answer

In 1947 formuleerden de sociaaldemocraten dit in hun allereerste beginsel: “Een samenleving op de grondslag van geestelijke en staatkundige vrijheid, doordrongen van de eerbiediging van de medemens, en gekenmerkt door een democratische gezindheid in het gehele volksleven, die de opbloei van het persoonlijk en gemeenschapsleven mogelijk maakt.” En het eerste beginselprogramma van GroenLinks start met: “Een democratische rechtsstaat, waarin individuele vrijheid en de vrijheid van organisatie gewaarborgd zijn en alle ingezetenen gelijke politieke rechten hebben.”

“ Vrijheid organiseer je niet in je eentje ”

Vrijheid en het gemeenschappelijke zijn immers geen tegenstelling, maar elkaars voorwaarde. Want we zijn geen verzameling meningen en pinpassen. We zijn een gemeenschap met handelend en producerend vermogen. Vooruitgang ten goede bestaat alleen als onze gemeenschappen dat vermogen benutten. Het is hoog tijd – en geen moment te laat – om dit weer centraal te stellen in ons politiek handelen. Want vrijheid realiseer je niet in je eentje. Whatever the problem, community is the answer.

Laten we ondertussen constateren dat we markt en staat nog steeds overschatten, terwijl we elkaar onderschatten en wat we samen voor elkaar kunnen krijgen. Het wordt tijd dat we ons herinneren dat, naast overheidssturing en marktwerking, samenwerking ook ‘gewoon’ een manier is om dingen gedaan te krijgen. Waar markt en staat naar hun aard tekortschieten in het bieden van toegang tot basisbehoeften voor iedereen of het beschermen van gemeenschappelijke waarden, blijkt het domein van de gemeenschap juist over de benodigde flexibiliteit en variëteit te beschikken.

Toen en nu

In de geschiedenis zijn grote vraagstukken dan ook altijd opgelost in gemeenschapsverband, voor het laatst grootschalig in de tweede helft van de vorige eeuw. In verbanden waarin samenwerken het werkwoord was. Want naast het collectieve en het commerciële domein was er altijd al dat derde domein waarin mensen zelf organiseren wat zij nodig hebben: het coöperatieve domein.

Ook onze beweging kent die kracht: de woningbouwvereniging, de onderlinge verzekering en scholen, de landbouwcoöperatie, de kruisvereniging en de coöperatieve banken. Het was niet alleen goedkoper en sneller, maar vaak ook gezelliger, lokaal passender, energieker, gevarieerder, levenskrachtiger en democratischer.

Om coöperatieven te realiseren toomden we eerst de adel en daarna het kapitalisme in, met de staat in een cruciale, voorwaardenscheppende maar begrensde rol: een stevige rechtsorde die eigendomsverhoudingen regelt, arbeidsrecht dat uitbuiting tegengaat, volksgezondheidswetten die minimumeisen stellen. Grote sociale wetten kwamen niet uit de lucht vallen, maar bouwden voort op wat mensen onderling organiseerden. De AOW op het collectemandje, de WW op de steunkassen van vakbonden, de Ziekenfondswet op de onderlingen. Regelingen werden verplicht en universeel, maar ook ervaren als legitiem en verbonden, door ons allemaal bij elkaar gepolderd.

Dit is niet alleen onze Nederlandse geschiedenis. De econoom Elinor Ostrom kreeg eind vorige eeuw de Nobelprijs voor haar onderzoek naar hoe lokale gemeenschappen wereldwijd gedurende eeuwen effectieve beheermodellen ontwikkelden voor hun commons, hun gezamenlijke hulpbronnen. Van irrigatiesystemen in Spanje tot Alpenweiden in Zwitserland, van visgronden in Japan tot onze eigen waterschappen. Anders dan bij verdienmodellen staat hier niet het maximaliseren van opbrengst centraal, maar duurzaam beheer zodat ook toekomstige generaties kunnen profiteren. Niks tragedy of the commons dus.

Deze lokale beheermodellen zijn gebaseerd op coöperatieve principes als heldere grenzen, eerlijke verdeling van lusten en lasten en lokale controle over gezamenlijk vastgestelde regels. Gebruikers zijn mede-eigenaar, ontwikkelen gedeelde verantwoordelijkheid en maken daar afspraken over. Sociale banden vormen daarbij de voorwaarde voor effectief beheer, terwijl dat gezamenlijke beheer die banden weer versterkt. Leg samen een dijk aan die je beheert en benut, en voilà: er is plek voor een weg, een noodzaak om je tot elkaar te verhouden, en voor je het weet onderneem je samen nog iets anders. Rendement in ruil voor risico is daarbij prima – je moet het alleen niet overdrijven.

Vandaag spreken we over energiegemeenschappen, zorgcollectieven en wooncoöperaties, maar het gaat ook ‘gewoon’ over buurten, fanfares en bedrijvenparken. Een buurtcompostproject maakt van ‘afvalproducenten’ ineens ‘grondstofbeheerders’ die samen iets nieuws creëren. De gebruiker van het buurthuis wordt programmeur. Niet als opgelegde plicht, maar als bevrijdende mogelijkheid om betekenisvolle relaties aan te gaan met anderen en met de wereld om ons heen. Omdat jij het waardevol vindt – en anderen ook.

Geen harmonieus burenparadijs

Is het coöperatieve domein dan een harmonieus burenparadijs waar iedereen elkaars billen wast en neuzen vanzelf dezelfde kant op staan? Uiteraard niet. Juist in het coöperatieve domein botsen visies en belangen voortdurend. Daar is het voor. “Het democratisch experiment is eindeloos, tenzij we het laboratorium opblazen. De explosieven daarvoor zitten in onszelf”, stelt democratisch activist Parker J. Palmer terecht.

Terwijl we praten over ‘de gemeenschap’, verhullen we vaak wie daar wel en niet bij hoort. Zoals gezegd: de grens die je trekt is bepalend. Gemeenschappen zijn nooit neutraal. Het park, het zwembad, de wijkvergadering, het schoolplein, de straat: ze worden door verschillende mensen heel anders ervaren. Sommige lichamen bewegen zich er vanzelfsprekend, terwijl andere worden bekeken, gecontroleerd of weggestuurd. Denk aan jongeren met hoodies in winkelcentra, dakloze mensen in parken, mensen van kleur in ‘verkeerde’ buurten. 

Structurele ongelijkheid, geworteld in kolonialisme, kapitalisme, paternalisme, racisme, seksisme en validisme, los je niet op door te stellen dat ‘de gemeenschap’ dat wel kan. (Al is dit wel het domein waarin het moet gebeuren.) Wat we samen produceren en beheren is dus niet onschuldig of puur. Ook dat is politiek.

“ Gemeenschappen kunnen ook benauwen ”

Uitsluiting is niet het enige risico. Gemeenschappen kunnen ook benauwen. Mark van Ostaijen en Rik Peeters wezen hier vijftien jaar geleden al op: veel mensen houden juist van het stadsleven om daaraan te kunnen ontsnappen. Stedelijke gemeenschappen zijn losser, flexibeler, minder gebaseerd op nabuurschap en vaker op gedeelde interesses of momenten. Ze laten ruimte voor anonimiteit én verbinding, met minder verplichting tot het laatste. Stedelingen vinden elkaar rond publieke dingen: de bibliotheek, het skatepark, het grasveld aan de singel. Soms met weinig interactie, soms met verrassende ontmoetingen, altijd met ruimte om er op eigen voorwaarden te zijn. Dat is geen gebrek, maar een kwaliteit. Wie meent dat een ‘gezellige buurt met veel saamhorigheid’ de enige vorm van goede gemeenschap is, mist waar het werkelijk om gaat: de vrijheid om het eigen leven vorm te geven.

Dat onderlinge organiseren in vrijheid is de essentie van democratie. Vandaar die beginselen. Maar de afgelopen decennia gedragen we ons alsof wat mensen onderling organiseren alleen veilig is als ambtenaren het bewaken. We zijn de staat meer gaan vertrouwen dan de gemeenschap en schakelen de overheid steeds vaker in om dingen voor elkaar te krijgen. Waar dat niet werkt, bijvoorbeeld omdat de kosten de spuigaten uitlopen of steeds dezelfde mensen van de kar vallen, geven we de markt vrij spel. Zo raken markt en staat steeds meer verweven en versterken ze elkaars tekortkomingen in plaats van elkaars tegenkracht te zijn, met plutocratische, monopolistische en autocratische gevolgen.

Lokaal wordt alles echt

Er is nood aan politiek denken dat verankerd is in de concrete wereld die we delen: de lokale praktijk. In een tijd waarin online herrie en abstracte beleidsmodellen steeds meer tussen ons en onze directe ervaring in staan, verliest het gemeenschappelijke oordeelsvermogen terrein. De gevaarlijkste vorm van onthechting ontstaat wanneer mensen niet alleen vervreemd raken van de werkelijkheid, maar ook van hun eigen oordeel. Als we niet langer vertrouwen op onze eigen ervaring en die van onze medeburgers, leert Hannah Arendt ons, worden we vatbaar voor verhalen die ons vertellen wat we zouden moeten zien in plaats van wat we daadwerkelijk zien.

In de lokale werkelijkheid behouden we dit oordeelsvermogen het best, omdat we daar direct geconfronteerd worden met de gevolgen van ons handelen. Daar tellen uitkomsten en gebruikswaarde. Lokaal wordt alles echt. Ook als het water komt, de wifi wegvalt of alles gehackt is, blijft de werkelijkheid van de plek dwingend aanwezig. En ‘echt’ is niet voor iedereen hetzelfde. De ervaring van de huiseigenaar verschilt van die van de huurder die elke maand vreest voor een huurverhoging. Alleen door te werken met wat echt is, voorkomen we dat niet alle ervaringen gewicht krijgen.

“ Bewijsvrije bullshit maakt geen kans tegenover geleefde ervaring ”

In de lokale werkelijkheid kunnen we samen ontdekken wat waar is, niet door een beroep te doen op externe autoriteiten of experts, maar door concrete ervaringen serieus te nemen. Daar verdwijnt verwarring over waarheid; daar bestaat geen fake news. Bewijsvrije bullshit maakt geen kans tegenover geleefde ervaring. Die ervaren werkelijkheid bevat de cruciale informatie om goede beslissingen voor iedereen te nemen.

Je kunt op verschillende manieren samen meer bereiken dan alleen: door mensen te manipuleren met angst of schuldgevoel, of door te beweren dat ze niet zonder jouw leiding kunnen. Maar de beste manier is door met anderen te delen wat je belangrijk vindt. En te ontdekken dat je niet de enige bent. En vervolgens te doen wat nodig is.

We kunnen samen de dingen aan als we voldoende variëteit behouden om de complexiteit van het volle leven aan te kunnen. Levenskrachtige gemeenschappen vieren het onderlinge gedoe en maken conflict productief. Het doel van totalitaire regimes is juist dat te voorkomen, schrijft Arendt: niet om overtuigingen bij te brengen, maar om het vermogen te vernietigen om zelf overtuigingen te ontwikkelen. Waar niets nieuws kan ontstaan, blijven alleen systemen over die uniformiteit opleveren. Het Vele wordt tot het Ene gedwongen. Pluraliteit verdwijnt.

De politieke kunst is wetten te maken die pluraliteit beschermen. Dat is het tegenovergestelde van totalitair. Het individuele en het gezamenlijke verbinden we door onze lijven naar buiten te brengen, kenbaar te maken wat ons bezighoudt en samen iets te ondernemen of te produceren. Samenwerken maakt ons weerbaar tegen autocratie.