Recensie: Het wilde deel van de wereld

De mens denkt dat hij buiten de natuur staat, en dat misverstand leidt tot een ecologische crisis zonder weerga. Veel commentatoren van wat het ‘antropoceen’ heet, delen grofweg die analyse. De scheiding tussen mens en natuur wordt daarin beschouwd als een Westers bedenksel met Aristoteles als grondlegger. Dat antropoceen - het tijdperk waarin menselijke activiteit zichtbaar wordt in de samenstelling van aardlagen - zou de mens er eindelijk toe dwingen zijn opvatting van ‘de natuur’ te herzien: de natuur is geen onveranderlijk decor voor menselijke cultuur, maar is daar evengoed een voortbrengsel van. Willen we de planeet leefbaar houden, dan moeten we ‘natuur’ - als complementair begrip van ‘cultuur’ - vaarwel zeggen. Aldus hedendaagse denkers.

Alle hedendaagse denkers? Nee. De Franse filosoof Virginie Maris pleit in haar boek Het Wilde Deel van de Wereld juist vóór het begrip natuur, als aanduiding van het 'radicale anders-zijn' van al het niet-menselijke dat rondom ons leeft. En die natuur wil ze juist méér van ons mensen afscheiden, zowel conceptueel als fysiek.

Volgens Maris kunnen we de ecologische crisis moeilijk wijten aan het onderscheid cultuur-natuur. Allereerst omdat dat uiteindelijk maar een wereldbeeld is. Bos wordt niet gekapt door een wereldbeeld, schrijft Maris; vernietiging van natuur is een politieke keuze, doorgaans genomen door witte mannen met macht.

Cover boek: Het wilde deel van de wereld van Virginie Maris

Hiërarchie

Maar belangrijker in haar argumentatie is dat het onderscheid cultuur-natuur weinig kwaad kan zolang het niet vergezeld gaat van een hiërarchie. Voor Aristoteles was de natuur weliswaar anders dan de mens maar hij beschouwde beide als autonoom en met een ‘waarde om zichzelf’. Het westerse wereldbeeld werd pas gevaarlijk toen de moderniteit - zeg: het denken en doen vanaf Descartes - de natuur tot instrument maakte van de mens. Ontdaan van haar autonomie werd de natuur volledig uitgeleverd aan een onbeheersbare uitbuiting, tot op het punt dat die uitbuiting ons eigen voortbestaan bedreigt.

Politici, wetenschappers en beleidsmakers die zich hiervan bewust zijn, benadrukken tegenwoordig graag hoe afhankelijk de mens is van al het andere dat leeft. Ook in Nederland ontdekten we de afgelopen decennia het belang van ‘natuurlijke hulpbronnen’, ‘ecosysteemdiensten’, ‘kringlooplandbouw’.

Maar áls het natuurinclusieve perspectief de grens tussen mens en natuur al zou opheffen, betoogt Maris, dan nog laat het juist die gevaarlijke hiërarchie ongemoeid. En met die hiërarchie sluipt ook het onderscheid tussen mens en natuur via de achterdeur weer binnen in denken en doen:

“De begrippen ‘natuurlijk kapitaal’ en ‘ecosysteemdiensten’ verwijzen slechts naar onderdelen van de natuurlijke wereld die nuttig zijn voor mensen. Ze dekken dus alleen maar waarden die de mens in het middelpunt plaatsen, waarmee diens uitzonderingspositie wordt bekrachtigd en onomwonden wordt aangesloten bij de moderne opvatting van de natuur.”

Economische uitbuiting is niet het enige probleem. Volgens Maris geloven ook zij die de natuur willen beschermen, dat het nodig is de natuur volledig te beheren en te sturen. Natuurbescherming wordt technologie; we brengen gebieden kunstmatig terug in de toestand van vóór het ontstaan van de mens, we introduceren iconische diersoorten in gebieden waar ze volgens ons ooit geleefd moeten hebben of juist in heel andere gebieden om ze voor uitsterven te behoeden. In naam van natuurbescherming verzamelt de mens met cameravallen, gps-zendertjes, satellieten en citizen science astronomische hoeveelheden data over letterlijk alles wat leeft; Maris vindt het getuigen van een “tirannieke waan om alles onder controle te hebben”.

“ 

Dat wij in staat blijken het complete ecosysteem grondig te verstoren zien we als rechtvaardiging om het roer dan maar helemaal over te nemen

 ”

Zo wordt het idee ‘antropoceen’ volgens haar een self-fulfilling prophecy. Dat wij, mensen, in staat blijken om het complete ecosysteem grondig te verstoren zien we niet als reden om ons nederiger op te stellen, maar als een rechtvaardiging om het roer dan maar helemaal over te nemen. Het antropoceen is een frame dat uitnodigt tot wat Maris noemt: de totale annexatie van de natuur. Maar wilde natuur laat zich niet in cultuur brengen, per definitie niet.

“Wie heeft er in de Jura tussen de besneeuwde sparren ‘s nachts wel eens een lynx zien sluipen? Het dier was daar ontegenzeglijk in zijn eigen wereld en niet in die van ons. Het woonde in het bos op een wijze die ons altijd vreemd zal blijven.”

Dat vreemde, dat radicale anders-zijn is wat Maris ruimte wil geven. Daarvoor zijn ‘nieuwe grenzen’ nodig tussen mens en natuur, zowel territoriaal als mentaal. We moeten speciale zones inrichten voor niets anders dan wilde natuur.

Intrinsieke waarde

Als lezer verwacht je onwillekeurig dat Maris nog ergens zal uitleggen wat er zo onmisbaar is aan dat ‘radiaal-andere’. Die uitleg is er natuurlijk niet. Maris schrijft:

“De nagalm van een burlend hert terwijl de avondschemer valt in het Białowiżawoud, de kraanvogels die in slierten naar het noorden trekken, een steenarend in zweefvlucht boven het massief van de Écrins. Zoiets moet je gezien hebben, al was het alleen maar in gedachten, om niet mee te gaan in de redenering van hen die ons verzekeren dat de natuur dood is en dat het voor ons en voor de planeet verder maar het best is om intelligent tuinonderhoud te plegen.”

Zulke lyrische passages zijn een uitzondering. Maris’ boek is niet bedoeld om lezers de waarde van natuur te laten ervaren - daarvoor hebben we David Attenborough. Haar stijl is er een van filosofische of wetenschappelijke argumenten die je stap voor stap kunt volgen.

Of: niet volgen. Want de moeilijkheid van de intrinsieke waarde die Maris de natuur toedicht, is dat die niet te onderbouwen is, omdat intrinsieke waarden nu eenmaal, nou ja, intrinsiek zijn. Dat is tegelijk het onbevredigende én het sterke punt van dit boek: wie zich bij wilde natuur geen waarde kan voorstellen zal door Maris misschien niet overtuigd raken, maar ze weerstaat de verleiding om die waarde te beargumenteren. Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.

Voor wie de antropocentrische blik wél tijdelijk kan opschorten, is dit een goed doordacht en prikkelend boek dat eindeloos veel nieuwe, belangrijke vragen oproept. Hoe zien ‘zones voor wilde natuur’ eruit? Moeten we die ook onderhouden, of juíst niet? Hoe overtuigen we onze medemens van het belang van zones die we niet nodig hebben? Al die vragen laat Maris mooi open:

“We zullen ons er kwetsbaar voelen, vreemdelingen, misplaatst misschien. Maar waarom zouden we overal thuis moeten zijn?”

Het wilde deel van de Wereld. Over de natuur in het antropoceen
Virginie Maris. Boom Uitgevers Amsterdam, 2021