Toen JD Vance in februari 2025 de Veiligheidsconferentie in München toesprak, zat ik aan de buis gekluisterd. In die periode legde ik de laatste hand aan mijn proefschrift over de voorwaarden voor een kritisch publiek debat in een gedigitaliseerde mediacultuur. In zijn memorabele toespraak zei de Amerikaanse vicepresident: “The threat that I worry the most about vis-à-vis Europe is not Russia, it’s not China, it’s not any other external actor. What I worry about is the threat from within.” Hij verwees daarmee naar een verzwakte publieke debatcultuur en illustreerde zijn bezorgdheid met een reeks voorbeelden van hoe Europa de strijd aanbindt met sociale media in een poging de verspreiding van desinformatie, propaganda en hate speech te bestrijden.

J.D. Vance in München.
JD Vance op de Veiligheidsconferentie in München, 2025. Foto: MSC.

Ik was verbijsterd. Deze woorden hadden letterlijk in het voorwoord van mijn proefschrift kunnen staan. Vance’s centrale stelling – ‘de grootste bedreiging van Europa komt niet van buiten haar grenzen, maar van binnenuit, namelijk een verzwakking van het kritische publieke debat’ – was exact mijn diagnose. Alleen bedoelde ik er iets fundamenteel anders mee.

Vance meende dat de democratie in Europa op het spel staat omdat wij het wagen om eisen te stellen aan socialemediaplatforms en de manier waarop zij met informatie omgaan. Hij bepleit ongebreidelde informatieverspreiding, zonder checks and balances, als voorwaarde voor een vitale democratie. Elke eis aan de kwaliteit of de waarheidsgetrouwheid van de informatie, hoe minimaal ook, vormt naar zijn idee een bedreiging.

De conclusie van mijn onderzoek is precies tegengesteld: het is juist de afwezigheid van zulke spelregels die het democratische debat ondergraaft. In dit essay laat ik zien waarom – en pleit ik voor een nieuw grondrecht: het recht op betrouwbare en eerlijke informatie.

The Daily Me

Ik heb mij de afgelopen jaren beziggehouden met de voorwaarden voor een vitale, veerkrachtige ‘publieke sfeer’: de fysieke en virtuele ruimte waarin wij openlijk met elkaar spreken, discussiëren en van mening verschillen. Zaaltjes en congressen horen daarbij, maar ook de opiniepagina’s van de krant, de talkshowtafels en sinds een aantal jaren de socialemediaplatforms zoals X, TikTok en Instagram. Welke maatstaven hebben we om de kwaliteit van dat berichtenverkeer te bepalen?

De gedachte dat een goed en toegankelijk publiek debat aan de basis ligt van een vitale democratie gaat terug naar de negentiende eeuw. De uitbreiding van het kiesrecht ging hand in hand met een steeds beter geïnformeerde en opgeleide bevolking. Krant, radio en later ook tv verspreidden informatie op grote schaal; de leerplicht emancipeerde mensen uit alle lagen van de bevolking. Aan het einde van de twintigste eeuw gaf het internet daar nog een ongekende impuls aan: er ontstond een nieuwe, onbegrensde, toegankelijke publieke ruimte waarin iedereen wereldwijd en gratis met elkaar in gesprek kon gaan. Dit nieuwe publieke domein zou mensen verbinden, kennis verspreiden en de dialoog bevorderen.

Dat was dertig jaar geleden.

Onze informatie-infrastructuur is sindsdien radicaal veranderd. In plaats van een krant die eenmaal per dag op de mat ploft of een journaal dat een paar keer per dag uitzendt, zijn we nu omgeven door een 24-uurs berichtenservice, volledig afgestemd op onze persoonlijke voorkeuren – The Daily Me

“ Het publieke debat wordt gestructureerd door de grote platformbedrijven ”

Daar komt bij dat we niet meer alleen lezers of toeschouwers zijn, maar ook commentatoren, makers en verzenders. Het publieke debat, dat tot voor kort werd vormgegeven door professionals – journalisten en redacteuren – wordt nu gestructureerd door de grote platformbedrijven die het overgrote deel van de verspreiding van nieuws voor hun rekening nemen. Deze organisatorische verschuiving heeft grote inhoudelijke gevolgen.

Om goed te begrijpen wat we hier verliezen, moeten we eerst preciezer zijn. ‘Media’ is een containerbegrip: kranten, talkshows (van Buitenhof tot Vandaag Inside), berichten op Insta of X, vlogs van influencers, Truth Social-berichten van Trump – ze vallen allemaal onder media. Journalistiek verwijst naar de methode waarmee berichten tot stand komen, en dan valt een groot deel van het zojuist genoemde af.

Wat de journalistiek (en de wetenschap) onderscheidt van eenvoudige berichtgeving door niet-professionele auteurs, is dat zij ‘epistemische procedures’ hanteren, een werkwijze die in het teken staat van waarheidsvinding. Deze methode ligt vast in codes en is kenbaar. Er bestaat overeenstemming over binnen de beroepsgroep (en idealiter ook bij het publiek). Zo worden de juistheid en de nauwkeurigheid van de berichtgeving gewaarborgd. Epistemische procedures zijn informatieverwerkende processen die in principe controleerbaar en transparant zijn: hoe ga je te werk bij de selectie, prioritering en weging van informatie? Heb je meerdere, onafhankelijke bronnen? Welke zijn dat en zijn ze controleerbaar? Is er wederhoor toegepast? Et cetera.

“ Je timeline schotelt je korte berichten en video’s voor, maar je hebt geen idee hoe deze tot stand komen ”

De waarborg voor waarheidsgetrouwe en verifieerbare informatie vind je niet in het bericht zelf terug, maar in de manier waarop dit tot stand komt. En dat is precies wat door digitalisering, platformisering en artificiële intelligentie aan het zicht wordt onttrokken. Je timeline schotelt je contextloos korte berichten en video’s voor, maar je hebt geen idee hoe deze tot stand komen en waarom ze op je tijdlijn verschijnen. Daar komt bij dat het verzorgen van betrouwbaar en verifieerbaar nieuws arbeidsintensief is. Dat werk is moeilijk te vermarkten in een mediacultuur die overspoeld wordt door gratis berichtgeving. Wie heeft er nog zin om voor nieuws te betalen? 

Dit probleem is overigens heel oud. De onderzoeksjournalist Walter Lippmann klaagde in de jaren 20 van de vorige eeuw al dat mensen meenden recht te hebben op dagelijkse berichtgeving vanuit de hele wereld voor de prijs van een zak drop. In onze informatie-obese samenleving, waar heel veel berichtgeving gratis is, is de bereidheid om voor nieuws te betalen niet toegenomen. Mede om die reden is het voor journalistieke media steeds moeilijker om te overleven en is hun rol in de bestrijding van desinformatie beperkt. Ze kunnen het niet (alleen) aan.

Desinformatie en haatspraak

De gedachte dat in die kakofonie van miljarden berichten de waarheid wel vanzelf komt bovendrijven, is hopeloos naïef gebleken. Uit onderzoek blijkt dat onware berichten op X zich tot zes keer sneller verspreiden dan ware. Hate speech blijkt een verdienmodel (‘ragebait’) en de verspreiding van propaganda was nog nooit zo goedkoop en eenvoudig. Eenvoudigweg liegen valt misschien onder de vrijheid van meningsuiting, maar bij bewuste misleiding die grootschalige gezondheidsschade veroorzaakt, of die politieke tegenstanders monddood maakt, moet je toch serieus ingrijpen overwegen.

Deze schade is namelijk niet abstract. Misleiding over vaccinaties heeft inmiddels vele levens gekost. Dat begon al vóór corona. Toen in 2019 in Samoa de mazelen uitbraken, stierven binnen enkele maanden tientallen mensen, voornamelijk jonge kinderen. De uitbraak viel terug te voeren op een sterk gedaalde vaccinatiegraad, aangejaagd door antivaccinatiecampagnes op sociale media. Mazelen, een ziekte die bijna was uitgebannen, doodde kleine kinderen omdat hun ouders was wijsgemaakt dat het vaccin gevaarlijker was dan de ziekte. 

Er zijn talloze andere voorbeelden. De Brexit-campagne, waarin pertinente onwaarheden over Britse betalingen aan de EU werden rondgepompt. De eerste ronde van de Roemeense presidentsverkiezingen in 2024, die werd gemanipuleerd door TikTok-algoritmes. De bestorming van het Capitool in januari 2021, voorafgegaan door maandenlange leugens over verkiezingsfraude. Het zijn geen incidenten meer; we kunnen inmiddels spreken van een patroon.

Dertig jaar na de internetbelofte zitten we met een informatie-obees publiek debat, vervuild door desinformatie en propaganda. Hoe kunnen we de idealen die ten grondslag liggen aan een kritisch publiek debat van betrokken burgers opnieuw invulling geven? Met die vraag loop ik al enige tijd rond.

Opvallend: als ik erover begin, ontmoet ik nogal wat weerstand. Enerzijds is er een nogal fundamentele scepsis – ‘het is onmogelijk om onderscheid te maken tussen betrouwbare informatie en desinformatie.’ Het is eerlijk gezegd zorgwekkend hoe wijdverbreid deze gemakzuchtige misvatting inmiddels is. Het is een manier om ervan af te wezen, vermoed ik. Maar iedereen die bij ziekte naar de dokter gaat, kan dit natuurlijk niet serieus menen. Het is misschien moeilijk, maar echt niet onmogelijk.

Anderzijds klinkt een serieuzere bedenking: hoe gaan we dat dan doen? Wíe gaat dat bepalen? Wie moet er toezicht houden op onze informatievoorziening? De (terechte) afkeer van verregaande overheidsinmenging maakt dat het denken dan stokt. Maar dat lijkt mij onterecht. Inderdaad, een Ministerie van Waarheid is geen optie, maar tussen ‘de staat bepaalt wat waar is’ en Vance’s ‘elke bemoeienis is censuur’ ligt een enorme ruimte. 

Het alternatief voor staatscontrole is niet ongereguleerde macht van Big Tech – het is gedeelde, gecontroleerde macht binnen democratische kaders. Denk bijvoorbeeld aan de Autoriteit Financiële Markten of de Autoriteit Persoonsgegevens: onafhankelijke instanties op afstand van de overheid, die niet de inhoud van financiële producten of persoonsgegevens beoordelen, maar de procedures voor hoe daarmee wordt omgegaan. 

Iets vergelijkbaars is denkbaar voor onze informatievoorziening – niet om uit te maken wát waar is, maar om af te dwingen dát platforms basale procedures hanteren: transparantie over algoritmen, mogelijkheid tot bezwaar, snelle verwijdering van aantoonbare desinformatie, scheiding tussen redactionele en commerciële belangen, om maar wat te noemen.

De Digital Services Act (DSA), een Europese verordening die eisen stelt aan online platforms, is een stap in die richting, maar door de razendsnelle ontwikkeling van AI inmiddels alweer achterhaald en te beperkt. De techbedrijven hebben hun lobby tégen strikte regulering goed op orde, dus we kunnen niet rustig afwachten en op toekomstige EU-wetgeving vertrouwen.

Nieuw sociaal grondrecht

Wat hebben we nog meer nodig? Onderwijs, natuurlijk. Mediawijsheid is een belangrijk onderdeel van het curriculum op elke school, in elke klas. Maar we kunnen het doorgronden van een informatie-infrastructuur die door supercommerciële en zeer kapitaalkrachtige miljardenbedrijven wordt vormgegeven niet afschuiven op individuele burgers. Dit is een politiek vraagstuk.

Daarom moeten we vol inzetten op het waarborgen en stimuleren van waarheidsgetrouwe informatie: information integrity. Een term die de afgelopen jaren ingang heeft gevonden bij onder meer de VN, waaronder de UNESCO, en in de Paris Declaration on Multilateral Action for Information Integrity and Independent Media, die onder aanvoering van Frankrijk afgelopen najaar gepubliceerd werd en ook door Nederland is ondertekend. 

Informatie-integriteit is geen poging om vast te leggen wát waar is, maar om voorwaarden te scheppen waaronder waarheidsvinding mogelijk blijft: pluriforme media, transparante platforms, onafhankelijke journalistiek, herkenbaarheid van bronnen.

We zouden het recht op waarheidsgetrouwe informatie kunnen opnemen in een VN-resolutie, zoals in 2022 ook gebeurde met het recht op een veilige en gezonde leefomgeving. Maar in de laatste regels van zijn laatste boek (2022) gaat de onlangs overleden filosoof Jürgen Habermas nog een stap verder. Habermas, die zijn hele leven in het teken heeft gesteld van de bevordering van de Europese democratie, pleit voor de verankering van het recht op een eerlijke en betrouwbare informatievoorziening in de grondwet. 

Ik vind dat een uitstekende suggestie. In een mediacultuur die zo fundamenteel veranderd is en waar techbedrijven onze informatie-infrastructuur in handen hebben en controleren, zou een nieuw sociaal grondrecht moeten worden gecreëerd, vergelijkbaar met het recht op gezondheid of het recht op voldoende woongelegenheid. Door het recht op een eerlijke en betrouwbare informatievoorziening te verankeren in de Grondwet zijn niet alle problemen ineens opgelost, maar wordt de overheid verplicht om zich actief in te zetten voor informatie-integriteit (net als voor volksgezondheid en voor woningen) en om de voorwaarden hiervoor te scheppen. En, niet minder belangrijk: een sociaal grondrecht verschaft een maatstaf waarmee burgers en rechters die overheid kunnen aanspreken.

“ Zonder betrouwbare informatie geen vrije meningsvorming, en zonder vrije meningsvorming geen democratie. ”

Betrouwbare of waarheidsgetrouwe informatie is een noodzakelijke voorwaarde voor de democratie. Zonder betrouwbare informatie geen vrije meningsvorming, en zonder vrije meningsvorming geen democratie. Het is precies om die reden dat we andere fundamenten van een vrij bestaan op het hoogste niveau hebben verankerd: de vrijheid van meningsuiting, het kiesrecht, het recht op privacy. Een recht op betrouwbare informatie hoort daarbij.

Macht heroveren

In zijn toespraak in München zei Vance, met een verwijzing naar de presidentsverkiezingen in Roemenië, nog iets opvallends: “If your democracy can be destroyed with a few hundred thousand dollars of digital advertising from a foreign country, then it wasn’t very strong to begin with.” Dat ben ik volledig met hem eens, en het lijkt me reden te meer om die kwetsbare democratie te versterken, door een betrouwbare informatie-infrastructuur op te bouwen waarmee we de publieke ruimte terugveroveren op de tech-oligarchen.

De ongelimiteerde macht van de techbedrijven brengt me terug bij de negentiende eeuw: de strijd van de luddieten. Dat waren textielarbeiders die aan het begin van de negentiende eeuw in Engeland fabrieken bestormden om de industriële weefgetouwen die hen van hun werk beroofden kort en klein te slaan. De vervanging van menselijke arbeid door machines was een vernedering, maar meer nog dan dat: het reduceerde de arbeiders tot machteloze krachten. 

Tegenwoordig wordt het woord ‘luddiet’ nog gebruikt voor iemand die met de rug naar de toekomst staat, die tegen nieuwe technologie is. Maar de strijd van de luddieten was minder naïef dan dat, én politieker. Zij stelden het gebrek aan rechten en bescherming van arbeiders aan de kaak. Ze keerden zich niet tegen de nieuwe techniek, maar tegen de ongebreidelde machtsconcentratie van fabriekseigenaren die daaruit volgde. 

Het ging hen niet om de machines. Het ging hen om de macht.

Laat die strijd ons inspireren bij het heroveren van de macht over de publieke ruimte. We moeten die strijd op alle fronten tegelijk voeren, want de ontwikkelingen gaan razendsnel. Het opbreken van de techmonopolies en het creëren van een nieuwe publieke infrastructuur zouden een paar goede eerste stappen zijn. Een grondrecht op betrouwbare en eerlijke informatie zou de wettelijke grondslag kunnen vormen om deze grote maar noodzakelijke stappen nu echt af te dwingen. Niet op economische gronden, maar om de democratie te redden.

Daan Roovers is filosoof en lid van de Eerste Kamer voor PRO. Van 2019 tot 2021 was zij Denker des Vaderlands. In 2025 promoveerde ze op Critical Publicity and its Epistemic Challenges; A Philosophical Approach to Public Opinion Formation in a Post-Digital Public SphereIn datzelfde jaar verscheen ook Wat op het spel staat; De grenzen van politiek en fair play.