Koos Vorrinklezing

Op de Dag van de Arbeid moet het vooral gaan over de actuele vraagstukken aangaande arbeid: over werkloosheid, over banen én over de kwaliteit van die banen. Vandaag gaan we vooral in op de grote vraagstukken van de toekomst: een groene toekomst met een oplossing voor klimaatverandering en milieuproblemen. Hoe gaan we die aanpakken en wat betekent dat voor de factor arbeid? Zijn er straks nog genoeg banen en zijn dat dan wel goede banen? Of gaan er mensen overboord vallen omdat zij of de bedrijfstakken waarin zij werken niet mee kunnen in de vernieuwing van de energievoorziening? Hoe kunnen we daarin sturen en wat voor een industriepolitiek moeten we voeren?

Ferd Crone tijdens de Koos Vorrinklezing, 1 mei 2022

Ik vind het heel bijzonder dat deze zoektocht plaatsvindt in een samenwerking tussen groen én links. Daarom spreek ik vandaag samen met de directeur van Wetenschappelijk Bureau GroenLinks, Noortje Thijssen, tijdens deze Vorrinklezing. Dit is de route die de Wiardi Beckman Stichting – het wetenschappelijke bureau van de PvdA – voor zich ziet: versterking van linkse samenwerking op inhoud, vanuit gezamenlijke waarden, en via die weg zoeken naar oplossingen voor maatschappelijke problemen. Niet alleen met elkaar, maar vanuit een brede maatschappelijke beweging: met de vakbeweging, met de milieubeweging.

Ik zal u nu meenemen door de geschiedenis aan de hand van mijn economieloopbaan. Die loopbaan is te schetsen als rood én groen. Volgens mij kan het één niet zonder het ander!

Van werkloosheid naar te veel banen

Ik hou mij al lang bezig met discussies over de arbeidsmarkt, werkgelegenheid en industriepolitiek, alsook met discussies over milieu- en klimaatbeleid. In de zeventiger jaren begon ik als student in Amsterdam. Daar studeerde ik economie en voordat ik Tweede Kamerlid werd, ten tijde van de paarse kabinetten van Wim Kok, werkte ik bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de FNV en tussendoor ook nog twee jaar op het milieuministerie. De discussies die we toen over deze onderwerpen voerden, verschillen op een aantal punten fundamenteel van de discussies van vandaag. Heel lang keken we heel anders naar de arbeidsmarkt dan we nu doen. Het meest opmerkelijke verschil is dat toentertijd de werkloosheid heel hoog was, terwijl de arbeidsmarkt nu juist krap is. En terwijl we nu weten dat de energietransitie tot veel nieuwe vacatures zal leiden  de uitdaging is die te vullen  dacht iedereen toen dat er nooit meer extra banen bij zouden komen. In de zeventiger en tachtiger jaren, tot aan de negentiger jaren, vormde dat hét probleem. Economen noemden dat jobless economic growth: economische groei zonder nieuwe banen. Dit werd veroorzaakt door de opkomst van de computer en steeds slimmere technologie. Daardoor waren minder mensen nodig en zouden er dus minder banen zijn. Mensen zouden werkloos worden. De grote vraag was: wat gingen we daaraan doen?

Dit leidde tot heftige discussies in de politiek vanaf het kabinet-Den Uyl tot aan de kabinetten van Kok, ook binnen de linkse beweging: binnen de Partij van de Arbeid, de andere linkse partijen en de vakbeweging. Er werden toen vanuit alle hoeken oplossingen aangedragen. De eerste oplossing kwam van rechts: loonmatiging. Want hoe lager de lonen, hoe lager de kosten en hoe beter dus de internationale concurrentiepositie. Dit zou weer leiden tot meer banen, zo luidde de redenering. Door ook de uitkeringen te verlagen, via het zogenaamde ministelsel, zouden meer mensen genoegen nemen met deze nieuwe, goedkope banen. Volgens linkse partijen was dit natuurlijk geen oplossing.

Wij, op de linkerflank, kwamen met een alternatief waar we wel heil in zagen: de arbeidstijdverkorting. Zo konden de banen, die in aantal niet zouden groeien, worden herverdeeld over meer mensen. Dit zou minder werkloosheid tot gevolg hebben. Met het Akkoord van Wassenaar werd deze discussie beslecht met een typisch Nederlands poldercompromis: de vakbeweging was bereid om af te zien van de automatische prijscompensatie, wat neerkwam op een vorm van reële loonmatiging, en zou daarvoor in ruil arbeidstijdverkorting krijgen. Toen is de 36-urige werkweek de norm geworden, in plaats van een werkweek van 40 uur.

De derde oplossing, die ook succesvol is gebleken, was de opkomst van deeltijdbanen. Geen tweederangs pulpbanen, maar echte volwaardige banen. Zo werd ook het combineren van werk en zorg mogelijk. De groei van deeltijdbanen kwam in het begin dan ook vooral van vrouwen, die daarvoor veel minder op de arbeidsmarkt actief waren. Toen is ervoor gezorgd dat deeltijdbanen volwaardige banen zijn, dus met een volwaardig recht op pensioen, uitgebreide arbeidsvoorwaarden en ontslagbescherming; alles naar rato van je arbeidstijd. En er kwam voor het eerst kinderopvang.

Inmiddels weten we dat de economische groei helemaal niet jobless was. Met de komst van de volwaardige deeltijdbaan, in de tweeslag met arbeidstijdverkorting voor iedereen, kwamen er juist heel veel banen bij: 1 miljoen nieuwe banen in 10 jaar tijd. In de jaren negentig, de jaren van Wim Kok en Paars werd Nederland in binnen- en buitenland geroemd om deze banengroei, die uniek zou zijn in de wereld: het Nederlandse mirakel. Na Paars kwamen de rechtse partijen aan de macht, en zijn we helaas rechts ingehaald door de flexcontracten, met slechte arbeidsvoorwaarden en veel onzekerheid.

“ Na het RSV-debacle werd industriepolitiek een vies woord in Nederland ”

Een vierde aanpak, de industriepolitiek, was vooral gericht op het beschermen van banen die op de tocht stonden. Met staatssteun werd geprobeerd bedrijven die in zwaar weer verkeerden overeind te houden. Voor de wat oudere mensen onder ons zal de RSV-enquête wellicht bekend in de oren klinken. De overheid stak bij elkaar 2,7 miljard gulden in de scheepsbouwer. Dat kon niet voorkomen dat deze in 1983 failliet ging. De concurrentieslag met veel goedkoper producerende landen als Zuid-Korea en Japan bleek al lang verloren te zijn. De overheid bleef belastinggeld in het bedrijf pompen om de werkgelegenheid te beschermen. Tevergeefs, zo bleek achteraf uit de parlementaire enquête. Deze ervaringen speelden waarschijnlijk een bepalende rol bij het besluit om het noodlijdende Fokker niet overeind te houden. Na het RSV-debacle werd industriepolitiek een vies woord in Nederland. Helaas werd zo het kind met het badwater weggegooid, de markt moest en zou het voortaan allemaal alleen moeten doen.

Kabinet maakt er een potje van

Hoe anders is dat nu, industriepolitiek is vandaag de dag helemaal terug in Den Haag. Het kabinet trok vorige week nog 230 miljoen euro uit voor de chipindustrie. Een vorm van staatssteun die wordt ingezet als onderdeel van een breder EU-programma voor projecten met een gemeenschappelijk belang voor Europa. Dat industriepolitiek niet langer een vies woord is op en rond het Binnenhof blijkt ook uit het regeerakkoord waarin miljarden gereserveerd staan voor het klimaat, de stikstofaanpak en de volkshuisvesting. En dat is maar goed ook, want het is hard nodig dat de overheid het roer durft te pakken in de energietransitie. Groene industriepolitiek is wat nu nodig is. Wetenschappelijk Bureau GroenLinks publiceerde hier vorig jaar nog een rapport over, dat steun kreeg van links tot rechts.

De groene industriepolitiek die we nu moeten voeren is compleet anders van aard dan de industriepolitiek van de jaren tachtig waar we zo op zijn afgeknapt. De arbeidsmarkt is anders dan in de tachtiger jaren ontzettend krap en we hoeven ons op het eerste oog veel minder zorgen te maken over werkloosheid. We moeten vooral regelen dat sectoren de omslag kunnen maken naar een duurzame productie, zodat die sectoren een groene toekomst krijgen in Nederland. Daarbij moeten we ons zorgen maken over de vraag of er wel voldoende mensen zijn om deze transitie uit te voeren. Veel sectoren redden het nu al niet om zonder veel arbeidsmigranten het werk gedaan te krijgen. De economie zou onmiddellijk instorten als we vandaag de grenzen sluiten. We hebben in feite een negatieve werkloosheid: te veel banen en te weinig mensen.

De groenrode industriepolitiek moet niet enkel gericht zijn op het op de korte termijn voorkomen van werkloosheid, maar moet op de lange termijn werkgelegenheid garanderen door bedrijven te helpen. Helpen bij het innemen van een plek in de schone economie van de toekomst. In het regeerakkoord zijn hier miljarden voor gereserveerd, maar daarmee is het nog niet goed geregeld. We moeten goed oppassen want dit kabinet dreigt er een potje van te maken, letterlijk. Ze stellen enorme potten geld beschikbaar. Dit terwijl bedrijven nog niet eens weten waar ze aan toe zijn en waar ze heen moeten, kortom waar ze het geld voor nodig hebben. Maar het geld is er al en dus ligt ondoelmatige besteding van belastinggeld op de loer. Dat is de zwakte van dit beleid. Wél geld, maar nog geen invulling. Wel geld, maar geen visie. Wel geld, maar geen traject. Het kabinet maakt er een potje van en slimme lobbyisten dreigen daarvan te profiteren.

Daar wil ik een visie tegenoverstellen. In mijn eigen verleden heb ik veel geleerd over milieu- en klimaatbeleid, te beginnen bij de FNV. Toen kozen we voor een progressieve brede vakbeweging onder leiding van Johan Stekelenburg en sloten we de eerste milieuconvenanten. Daarna heb ik twee jaar op het milieuministerie gewerkt, en was ik veertien jaar woordvoerder Klimaat en Milieu voor de Tweede Kamerfractie van de PvdA. Het onderwerp heeft me daarna nooit meer losgelaten.

Mijn visie is: goed klimaat- en milieubeleid begint met scherpe normstelling. Maak bedrijven duidelijk waar ze moeten zijn over 5 jaar, over 10 jaar en in 2050. Hoeveel emissiereductie moet er zijn voor welke regio en voor welke bedrijven. Daar pas je als overheid vervolgens de vergunningen op aan. Vervolgens kun je handhaven en toezien op de bereikte resultaten.

Daaraan moet een tweede aspect worden toegevoegd, Een reëel prijs voor CO2-emissierechten: nu betalen de grootste bedrijven hiervoor veel minder dan de werkelijke kosten van het klimaatbeleid. Zorg kortom dat de prijs voor CO2-uitstoot omhooggaat. In de Europese Unie worden hiervoor sinds kort fantastische stappen gezet. Zo is het Frans Timmermans gelukt om het emissiehandelssysteem van Europa aan te scherpen. Dat is het systeem waar grote bedrijven rechten moeten kopen om CO2 te mogen uitstoten. Omdat het plafond van die rechten omlaag gaat, worden die CO2-rechten steeds duurder.

Zo’n 5 jaar geleden betaalden bedrijven minder dan 20 euro voor het recht om een ton CO2 uit te stoten. Inmiddels kost dat 100 euro. Hierdoor worden allerlei duurzame alternatieven en energiebesparing vanzelf goedkoper dan fossiele energie. Bovendien kun je met de opbrengsten van dit soort heffingen ook weer mooie dingen doen op het gebied van klimaatbeleid. In Europa werkt Timmermans momenteel bijvoorbeeld aan het zogenaamde sociale klimaatfonds. Dat moet een goed gevuld fonds worden waaruit burgers met een kleinere beurs gecompenseerd kunnen worden voor de kosten van de energietransitie. Een prachtig voorbeeld van roodgroen klimaatbeleid. Het gaat in den beginne dus om normeren en beprijzen. Dat is het startpunt, het fundament, waarop we roodgroene industriepolitiek kunnen uitbouwen.

In de kern willen bedrijven vaak best verduurzamen maar ze zien altijd twee grote problemen. Ten eerste moet, om de Parijse klimaatdoelen te halen, de verduurzaming heel snel, eigenlijk te snel voor veel bedrijven. Daardoor is er geen tijd voor een gefaseerde verduurzaming. We moeten in sneltreinvaart naar nul emissies.

En dan kom ik bij een tweede probleem dat veel bedrijven noemen: de internationale concurrentiepositie. Als het duurder is voor bedrijven om schoon te produceren dan om te vervuilen, zullen Europese bedrijven steeds meer moeite krijgen om te concurreren met bedrijven aan de andere kant van de wereld die nog niet gestart zijn met de duurzaamheidstransitie. Voor deze zorgen van bedrijven moeten we begrip hebben. Daarom is het ook heel goed dat Frans Timmermans en Diederik Samsom vooroplopen in Europa om te zorgen dat iedereen aan dezelfde scherpe doelstellingen moet voldoen. Daarnaast hebben ze ook nog een vergaand voorstel om bedrijven van buiten Europa een grensheffing te laten betalen als ze vervuilender produceren dan Europese bedrijven. Zo zijn schone Europese bedrijven niet in het nadeel op de Europese interne markt.

“ Werknemers moeten meer zeggenschap krijgen over hun toekomst ”

Hieruit volgt ­– en dat is de kern van mijn verhaal – dat we met bedrijven om tafel moeten gaan zitten. En niet alleen met de bedrijven, maar vooral ook met de werknemers van die bedrijven, die meer zeggenschap moeten krijgen over hun toekomst. En ook met de vakbonden en met de regio’s, want veel vervuilende bedrijven die moeten verduurzamen zitten in de regio’s aan de randen van ons land. Al deze partijen moeten de handen ineenslaan en scenario’s maken om vervuiling en CO2-uitstoot stapsgewijs terug te dringen. Let wel, dit betekent geen vrijblijvendheid. Want de CO2-doelstellingen zijn hoog en ook de prijs voor CO2-rechten wordt steeds hoger.

Met deze aanpak maak je als overheid heel duidelijk welke stappen je wilt zetten en wat er van bedrijven verwacht wordt. En met deze aanpak kunnen we iedereen meenemen, juist ook de werknemers wiens banen op het spel staan. Hier kan Tata Steel als voorbeeld dienen voor hoe werknemers zeggenschap nemen over de koers van het bedrijf. Waar de overheid en de directie van Tata Steel het lieten liggen, kwam er vanuit de FNV een plan voor de productie van staal met behulp van groene waterstof. Een ambitieus plan voor groen staal geproduceerd in Nederland. Om dat plan van de grond te krijgen is het noodzakelijk dat er subsidiepotten er zijn, want de transitie kost miljarden. In die volgorde moet het, eerst de visie en de doelstellingen, dan pas het geld.

Voor Nederland betekent de duurzame transitie nogal wat als je kijkt naar de bedrijfstakken die hier groot zijn. We zitten niet in de hoek van de schone industrieën. De chemie, de olieraffinage, de distributiesector, Schiphol en de hele luchtvaart, de landbouw en veeteelt, de aluminiumindustrie en de hoogovens, het zijn belangrijke sectoren in onze economie die stuk voor stuk een hoge vervuilingsgraad hebben. Dat is geen toeval want we hebben hier bewust voor gekozen. Het was de industriepolitiek van Nederland om dit soort bedrijven naar Nederland toe te halen. Door onze gunstige ligging aan de monding van de grote rivieren en onze centrale positie tussen Duitsland, Frankrijk, Engeland en Scandinavië was Nederland al een interessant vestigingsgebied. Daar kwam in de zestiger jaren het goedkope Groningse gas als gunstige voorwaarde bovenop. Daarmee kon goedkope energie geleverd worden aan bedrijven: het zogenaamde 'potjesgas’, goedkopere energie voor grootverbruikers. Maar nu zitten we met de gebakken peren en staan we voor de grote uitdaging om deze energie-intensieve sectoren te verduurzamen. Dat dat ook veel kan opleveren zien we nu al op verschillende plekken: glastuinbouwbedrijven die in geothermie investeerden, hebben nu geen last van hoge gasprijzen en wie zijn huis isoleert, verdient dat nu eerder terug.

Wat niet onbesproken kan blijven is dat de afbouw van sommige bedrijven en sectoren onvermijdelijk is. We moeten de vraag stellen of een bedrijf wel door kan gaan of toch niet meer past in de nieuwe groene economie van Nederland. Daar moeten we een open debat over voeren. Voor sommigen zal dit een harde boodschap zijn, want je zal maar net een baan hebben bij een bedrijf dat drijft op fossiele energie of fossiele grondstoffen.

Als we straks in groten getale elektrisch rijden dan betekent dat nogal wat voor bijvoorbeeld de olieraffinaderijen die benzine produceren. Het is waarschijnlijk niet zinvol om als maatschappij te investeren in de ombouw van die raffinaderijen. Bovendien heeft het ook grote impact voor de mensen die bij benzinepompen werken en in autogarages. Er zal veel minder getankt worden en het onderhouden van verbrandingsmotoren is een stuk arbeidsintensiever dan het onderhouden van elektromotoren. En dus zijn hier op termijn minder arbeidskrachten nodig. Kortom, voor deze hele keten ligt dus een zekere afbouw op de loer. Het is dan ook cruciaal dat dit proces begeleid wordt met een hele goede industrie- en arbeidsmarktpolitiek.

We mogen de mensen die nu voor een fossiel bedrijf werken immers nooit laten vallen. Daarom is bijvoorbeeld een werkgarantiefonds nodig voor de fossiele sector. Dat kan door het Kolenfonds, in het leven geroepen voor de kolenketen rondom de sluitende Hemwegcentrale, verder uit te rollen. De werknemers die hun brood verdienen in vervuilende sectoren moet zekerheid worden geboden. Zekerheid dat zij zich met behoud van inkomen kunnen omscholen en naar nieuw werk worden begeleid. De zekerheid dat zij niet de dupe worden van de inertie van hun werkgevers.

De arbeidsmarkt moet het wel aankunnen

De verwachting is dat er onder de streep door de transitie meer banen bij zullen komen dan dat er banen zullen verdwijnen. Het is verleidelijk om te denken dat het allemaal vanzelf wel goed komt als er wat banen verdwijnen bij de grote vervuilers. Er komen toch genoeg nieuwe banen bij? Banen als installateur van zonnepanelen of banen voor windmolenbouwers? Als de verwachting uitkomt dat er op macroniveau inderdaad per saldo structureel meer banen bijkomen dan dat er verdwijnen, betekent dit nog niet dat het op microniveau voor individuele werknemers ook vanzelf allemaal wel goed komt. Er kan op verschillende manieren sprake zijn van een mismatch op de arbeidsmarkt, waardoor het toch misloopt. Ook als de arbeidsmarkt getekend wordt door enorme krapte.

Ten eerste kan het zo zijn dat er hele andere vaardigheden worden gevraagd bij nieuwe banen dan bij verdwijnende banen. Zo blijkt uit onderzoek dat tot stand kwam in de jaren na de totstandkoming van het Energieakkoord in 2013 dat de competenties die nodig zijn voor de nieuwe groene banen veranderen en de lijnen tussen de verschillende branches vervagen. De vraag naar technici blijft onverminderd groot, maar die technici moeten wel meer zogenaamde soft skills aanleren. Dat betekent dat ze veel meer dan voorheen ook goed met klanten moeten kunnen omgaan en met hun collega’s samen moeten kunnen plannen. Niet-technici moeten ook meer met techniek leren werken, vaak in de vorm van ICT of geavanceerde technologie zoals programmeerbare sensoren en computers.

In 2016 werd al geconstateerd dat het gevraagde niveau van werknemers omhoog schuift. Door de transitie zal daarom nog meer nadruk komen te liggen op de doelstelling: een leven lang leren. Veel sectoren hebben in de loop der jaren flinke scholingsfondsen ontwikkeld, met geld dat voor bijscholing en van-werk-naar-werk-trajecten is bedoeld. Dat is door de werkgevers en werknemers van die sectoren zelf bij elkaar gespaard. Toch zou ook daar structureel moeten worden gekeken naar sectoroverschrijdende aanwending van die spaarpotten. Dat kan door dit geld te matchen met overheidsfondsen. Dat is nodig omdat het geld in de potten van krimpende fossiele sectoren nu alleen gebruikt kan worden voor omscholing binnen de sector. Maar als die sector krimpt, ontstaan daar geen nieuwe banen. Het geld kan nu niet gebruikt worden voor omscholing naar een andere sector en blijft dus op de plank liggen. Laten we dat geld inzetten voor werknemers die een overstap willen maken naar een groeiende sector. We hebben die arbeidskrachten immers keihard nodig voor de transitie.

Ten tweede kan er ook sprake zijn van een geografische mismatch. De grote vervuilers van Nederland zitten namelijk voor een aanzienlijk deel langs de randen van het land. Denk bijvoorbeeld aan Chemelot bij Stein en Geleen in Limburg, maar ook aan Terneuzen in Zeeuw-Vlaanderen en Delfzijl in Noordoost-Groningen; daar zit veel zware industrie. Deze regio’s zijn voor de werkgelegenheid relatief sterk afhankelijk van grote vervuilers. We moeten hier in de energietransitie extra aandacht voor hebben. Want regionaal zal de balans dus weleens negatiever kunnen uitpakken voor de werkgelegenheid dan het algemene landelijke beeld. Dit verdient extra aandacht omdat we weten dat mensen over het algemeen niet snel uit hun regio verhuizen als hun baan verdwijnt. We moeten koste wat het kost voorkomen dat er een soortgelijke situatie optreedt als in Limburg na het sluiten van de mijnen.

Tot slot kan er nog een kwalitatieve mismatch zijn in de arbeidsvoorwaarden. In de traditionele industrie bijvoorbeeld zijn wel steeds minder banen, maar de banen die er nog zijn kennen vaak goede arbeidsvoorwaarden. De vakbonden hebben hier decennialang met succes voor gestreden. Dit is echter nog niet het geval in veel nieuwe ‘groene’ sectoren. Het is voor werknemers dus vaak helemaal niet aantrekkelijk om een fossiele baan op te geven voor een groene baan omdat ze dan inleveren op arbeidsvoorwaarden en de zekerheid van een vast contract verliezen. Die voorwaarden zullen we dus snel moeten verbeteren om een overstap naar de groene sectoren aantrekkelijker te maken.

Twee weken geleden berichtte ABN AMRO nog dat een recordkrapte op de arbeidsmarkt ervoor zorgt dat de energietransitie in gevaar komt. Meer dan 1 op de 3 vacatures die te maken hebben met de energietransitie zouden op dit moment niet kunnen worden vervuld. Dit terwijl er voorlopig geen einde lijkt te komen aan de toenemende vraag naar arbeid om huizen te isoleren, warmtepompen en zonnepanelen te installeren en windmolens te bouwen. De energietransitie is een arbeidsintensief proces. We hebben handen nodig en die blijken moeilijk te vinden. De politiek heeft inmiddels het geld gevonden om de transitie te financieren, maar de krappe arbeidsmarkt zal een groot struikelblok blijken om die miljarden effectief in te zetten. En de tekorten op de arbeidsmarkt lopen alleen maar verder op.

“ Het moet aantrekkelijk worden om aan de slag te gaan in de groene industrie ”

Hier zie ik een cruciale rol voor de vakbeweging, niet defensief maar offensief. Met de energietransitie als centraal thema voor belangenbehartiging in bedrijven, regio’s en bij de overheid. Deze partijen moeten de energietransitie gezamenlijk in de praktijk brengen. Zij moeten zorgen dat het aantrekkelijk wordt voor werknemers om aan de slag te gaan in de groene industrie.

En ook een verenigde en sterke linkse beweging is nodig om de discussie te voeren over herverdeling van werk, over nuttig werk, over arbeidstijdverkorting en voor het verzet tegen de flexbanen. De vakbeweging, de PvdA en de andere linkse partijen hebben in het verleden zwaar ingezet op goede voltijdbanen en goede deeltijdbanen. Dat moeten we nu opnieuw doen, want als ik één ding geleerd heb dan is het dat we de rechten en belangen van werkenden niet aan rechts kunnen overlaten.

Ik ga ervan uit dat we opnieuw strijd moeten voeren zodat nieuwe banen niet alleen groen zijn, maar ook sociale vastigheid en zekerheid geven, vaste contracten en een eerlijk loon. Dat is van belang voor de mensen die moeten switchen van een fossiele baan naar een andere baan, van de ene sector naar de andere sector. Maar ook voor de rest van Nederland. We hebben alle mensen met handige handen keihard nodig. Laten we die mensen niet afschepen met pulpbanen, met flexbanen, banen zonder rechten en met veel plichten.

Zoals ik aan het begin al zei: rood en groen, het één kan niet zonder het ander. Je hoort ondernemers wel eens zeggen: ‘Als ik rood sta, kan ik niet in groen investeren.’ Ik draai dat om: ‘Er is geen winstgevende toekomst als je niet groen wordt; dan zal de markt zich van je afkeren.’ En daarom moeten we samen aan de slag, de Partij van de Arbeid samen met GroenLinks. We hebben elkaar nodig om een roodgroene industriepolitiek te voeren. Samen trekken we het land in, gaan we praten met de vakbonden en met de ondernemingsraden. Over een tijdje komen we terug en hebben we samen plannen bedacht. Geen plannen vanuit Den Haag, maar plannen vanuit de samenleving, vanuit bedrijven, vanuit de werkenden en vanuit de vakbeweging.

De Koos Vorrinklezing van Noortje Thijssen en Ferd Crone vormt de opmaat voor het project 'Roodgroene arbeid in de industriële transitie' van Wetenschappelijk Bureau GroenLinks en de Wiardi Beckman Stichting.

Reactie toevoegen