Gemiddeld was slechts 35 procent van de kandidaten vrouw. Alleen bij de Partij voor de Dieren en GroenLinks-PvdA vormden vrouwen een (lichte) meerderheid; D66 en Volt wisten een gelijke verdeling te bereiken. Partijen als NSC, BBB, CDA, SP en ChristenUnie schommelden rond de veertig procent, maar bij de meeste andere partijen lag het aandeel aanzienlijk lager.

Bord met ingang stembureau en een pijl. Op de achtergrond een gebouw waar mensen naartoe lopen of voor staan.
Stembureau in Utrecht, 2021. Foto: Sebastiaan ter Burg. CC BY 2.0

Wie de cijfers van dichterbij bekijkt, ziet bovendien dat aan de rechterflank van het politieke spectrum de vertegenwoordiging van vrouwen structureel achterblijft. Bij de PVV, FVD en JA21 waren vrouwen duidelijk in de minderheid en de SGP had opnieuw geen enkele vrouw op de lijst geplaatst. 

Opvallend is ook de verschuiving bij twee andere partijen: bij de VVD daalde het aandeel vrouwen van 44 naar 35 procent – een ontwikkeling die parallel loopt aan de ideologische verschuiving van de partij naar rechts. DENK daarentegen leek juist de beweging te maken naar meer inclusie en vertegenwoordiging van vrouwen, met een stijging van het aandeel vrouwelijke kandidaten van 24 naar 34 procent.

Deze cijfers suggereren dat de mate van representatie niet losstaat van partijcultuur en ideologische oriëntatie.

Waar partijen hun identiteit nadrukkelijk verbinden aan conservatieve of traditionele waarden, lijkt politieke gelijkheid minder vanzelfsprekend te worden nagestreefd; partijen die zich juist positioneren vanuit emancipatie en diversiteit, tonen (voorzichtig) een tegengestelde ontwikkeling. Dit laat zien dat politieke gelijkheid geen lineair proces is (zoals we veronderstellen dat emancipatie verloopt), maar een ontwikkeling die voortdurend kwetsbaar is en beïnvloed wordt door de cultuur en traditie van partijen zelf. 

We moeten bovendien onder ogen zien dat formele gelijkheid zoals vastgelegd in ons democratisch grondbeginsel niet automatisch leidt tot gelijke kansen op macht, invloed en zichtbaarheid in de samenleving. Gelijkheid kan worden geproclameerd, maar zolang de structuren die macht verdelen in de samenleving niet mee veranderen, blijft ze vooral een belofte op papier.

Simone de Beauvoir

Dit dwingt ons tot een blik op de manieren waarop ongelijkheid historisch is ontstaan en cultureel wordt doorgegeven. Een blik die in de loop van de twintigste eeuw scherp is ontwikkeld door denkers die samen een paradigma voor emancipatie schiepen. Maar dit paradigma wordt te weinig in de praktijk toegepast om te komen tot een evenwichtige verdeling van die macht, invloed en zichtbaarheid in de samenleving. 

In Le Deuxième Sexe (1949) deed Simone de Beauvoir de beroemde uitspraak: “On ne naît pas femme, on le devient”, oftewel: men wordt niet als vrouw geboren, men wordt het. Daarmee bedoelde ze: vrouwelijkheid is niet iets wat vastligt in de natuur, maar iets wat de samenleving aanleert. Vanaf jonge leeftijd krijgen meisjes te horen hoe ze zich horen te gedragen – vriendelijk, zorgzaam, bescheiden –, wat gepast is en wat niet, terwijl jongens juist leren om initiatief te nemen en hun eigen weg te gaan. 

De Beauvoir brak met het destijds dominante idee dat vrouwelijkheid biologisch bepaald is (dat het verschil tussen vrouwen en mannen slechts een sekseverschil is). Haar existentiële analyse van de vrouw als ‘de Ander’ liet zien dat de man als norm wordt gesteld (hij is de maatstaf van wat ‘de mens’ is, namelijk rationeel, onafhankelijk, actie) en de vrouw slechts betekenisvol is in relatie tot hem (emotioneel, afhankelijk, zorgend): als zijn moeder, echtgenote of verzorgster. Mannen krijgen ruimte om zichzelf te ontplooien in de wereld, vrouwen worden vastgehouden in rollen die draaien om herhaling, zorg en dienstbaarheid. 

Het groeide uit tot een breder inzicht: ongelijkheid is geen natuurlijk gegeven, maar het resultaat van culturele ordening. Met haar beroemde uitspraak legde De Beauvoir dus de basis voor wat later het begrip gender zou worden genoemd: het inzicht dat ‘man’ en ‘vrouw’ niet alleen biologische feiten zijn, maar ook sociale constructies. Dit concept is vooral uitgewerkt door Judith Butler (Gender Trouble, 1990), die de gedachte van De Beauvoir verder doortrok.

“ Gender lijkt iets natuurlijks, terwijl het in werkelijkheid een sociaal ritueel is dat zichzelf herhaalt ”

Volgens Butler is gender zelf geen vaste kern of identiteit, maar iets dat telkens opnieuw wordt voortgebracht door gedrag, taal en herhaling. Er is sprake van genderperformativiteit: we leren wat ‘vrouwelijk’ of ‘mannelijk’ is door het steeds opnieuw te doen, of het nu gaat om praten, bewegen, ons kleden of luisteren. Zo lijkt gender iets natuurlijks, terwijl het in werkelijkheid een sociaal ritueel is dat zichzelf herhaalt. Die herhaling wekt de illusie van stabiliteit: omdat we allemaal meedoen aan hetzelfde toneel, lijkt het alsof de rollen vastliggen. 

Maar juist daar ontstaat ook ruimte voor verandering. Elke keer dat iemand een rol iets anders speelt, zoals een mannelijke politicus die gezag niet claimt via autoriteit maar via empathie, of een vrouw die haar kracht niet verzacht om acceptabel te blijven, verschuift de betekenis van wat ‘normaal’ is. In haar latere werk gaat Butler dieper in op hoe taal, macht en maatschappij bepalen welke lichamen ‘er mogen zijn’. Ze scherpt daarin haar begrip van performativiteit aan en benadrukt dat ook sekse (niet alleen gender) discursief wordt gevormd.

Kanttekeningen

bell hooks plaatste vervolgens een kritische kanttekening bij deze westerse, overwegend witte feministische traditie. Zij wees erop dat het feministische discours van De Beauvoir en Butler vaak sprak over ‘de vrouw’ alsof dat een universele ervaring was, terwijl het in feite ging over de positie van witte middenklassevrouwen. Voor zwarte vrouwen (in de Amerikaanse context), zo stelde hooks, lagen de ervaringen anders: zij werkten altijd voor hun witte bazen, werden beoordeeld volgens andere schoonheidsnormen en kenden vormen van onderdrukking waarin ras en klasse net zo bepalend waren als gender.

In haar begrip van de oppositional gaze beschreef hooks de daad van terugkijken: weigeren om bekeken te worden door de dominante, mannelijke of witte blik. Als theorie die met name is uitgewerkt in de filmstudies, waarin zwarte vrouwen in film en media vaak object van de blik waren, eist de oppositional gaze het recht op om zelf te kijken, te interpreteren en te benoemen. In een politieke context betekent dit: weigeren zich te voegen naar de stijl, toon of houding die als ‘gepast’ wordt beschouwd. Het is het moment waarop iemand, tegen de norm in, zichzelf zichtbaar maakt, een eigen narratief en kaders creëert. Dit geeft autonomie en zeggenschap. Tegelijkertijd creëert het ook de meeste weerstand bij de dominante cultuur. 

In de Nederlandse context zien we bell hooks’ analyse terug in de manier waarop vrouwelijke politici en in het bijzonder die van kleur worden bejegend. Sylvana Simons vormt daarvan een treffend voorbeeld: zij eiste haar eigen taal, toon en perspectief op, zonder zich te schikken naar het politieke verwachtingspatroon van ‘neutraliteit’ dat in feite wit en mannelijk is gedefinieerd. Juist die weigering, dat terugkijken, zoals hooks het zou noemen, maakte haar tot doelwit van buitenproportionele vijandigheid en haat, niet alleen binnen de politieke arena maar ook daarbuiten. In haar ervaring wordt zichtbaar hoe ongelijkheid niet alleen bestaat in toegang tot macht, maar ook in de voorwaarden waaronder men die macht mag uitoefenen.

“ Ongelijkheid is niet alleen juridisch of economisch, maar allereerst cultureel ”

De waarde van deze denktraditie ligt dus niet alleen in haar historische invloed, maar vooral in haar verklarende kracht voor het heden. Wat De Beauvoir, Butler en hooks gemeen hebben, is dat zij ongelijkheid niet zien als een kwestie van ongelijke rechten of individuele vooroordelen, maar als een systeem van betekenisgeving. Dit werpt licht op de manier waarop samenlevingen bepalen wie als volwaardig wordt erkend. Hun theorieën bieden een taal om te begrijpen waarom gelijkheid op papier, zoals het gelijkheidsbeginsel en inclusiebeleid, niet automatisch gelijkwaardigheid in de praktijk betekent. Ongelijkheid is niet alleen juridisch of economisch, maar allereerst cultureel.

Consequenties

Wie de politiek binnentreedt, stuit nog altijd op impliciete verwachtingen, informele netwerken en subtiele vormen van uitsluiting. Dat betekent dat representatie alleen niet volstaat. Dit blijkt ook uit recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Daaruit komt naar voren dat zelfs in organisaties met een gevarieerde samenstelling machtsstructuren en omgangsvormen vaak onveranderd blijven. Het SCP bevestigt in hedendaagse termen wat Judith Butler theoretisch beschreef met haar concept van performativiteit. Zelfs waar diversiteit toeneemt mislukt de inclusie – niet per definitie door een gebrek aan goede wil, maar doordat de dominante cultuur intact blijft: de onderliggende herhaling van normen wordt niet doorbroken.

“ Vrouwen die hun stem verheffen krijgen onevenredig vaak te maken met bedreiging en intimidatie ”

Dat doorbreken van normen heeft bovendien vaak consequenties. Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en kennisinstituut voor emancipatie Atria naar haat en agressie tegen vrouwelijke politici blijkt dat vrouwen die hun stem verheffen in het publieke debat onevenredig vaak te maken krijgen met bedreiging en intimidatie. Agressie en haat tegen vrouwelijke politici zijn daarmee geen incidenten of uitingen van individuele ontsporing, maar symptomen van een cultuur die hun aanwezigheid nog altijd als een vorm van ontregeling ervaart.

Die politieke cultuur staat niet op zichzelf. Ze weerspiegelt een bredere maatschappelijke werkelijkheid waarin vrouwen structureel en stelselmatig minder veilig zijn dan mannen op straat, op het werk en in de privésfeer. Zulke patronen laten zien dat de obstakels die vrouwen en minderheden in de politiek ervaren niet slechts individuele incidenten zijn, maar systemische uitingen van een dieper probleem: een samenleving waarin ongelijkheid diep verankerd blijft in zowel cultuur als instituties. In dat licht krijgt de afname van vrouwen op kandidatenlijsten een extra dimensie. 

'De ander’

Het is dus belangrijk om de structuren te veranderen in politiek en samenleving, want hierbinnen moet elk gender functioneren. Representatie zonder machtskritiek is slechts schijnemancipatie. Er is dan sprake van tokenism: het zichtbaar maken van ‘de ander’ zonder de structuren te veranderen waarin zij functioneert. Juist daarom is het essentieel om niet alleen te tellen wie er aan tafel zit, maar te vragen onder welke voorwaarden zij daar mag spreken.

De politiek kan niet inclusiever worden dan de samenleving die haar omringt. Zolang vrouwen en minderheden structureel minder veilig zijn, zal ook de politiek dat patroon weerspiegelen. De recente cijfers van Stem op een Vrouw en de rapporten van SCP en CBS/Atria maken zichtbaar dat ongelijkheid geen kwestie is van incidenten of individueel gedrag, maar van structuren die ongelijkheid normaliseren. De uitdaging is dus niet alleen meer vrouwen op de lijst te krijgen (al is dat essentieel!) maar vooral om een politieke cultuur te bouwen waarin hun aanwezigheid vanzelfsprekend, veilig en invloedrijk is. Pas dan kan de politiek de samenleving werkelijk representeren, in plaats van haar ongelijkheden te herhalen.