De wereld staat op instorten. Het klimaat ontspoort. Het fascisme is terug van weggeweest. We wapenen ons voor oorlog, we vrezen voor landjepik en ondertussen vertelt de overheid ons op menig reclamebord om toch vooral noodpakketten in te slaan. Niemand verwacht meer dat "het vast wel meevalt" en iedereen vreest voor nog erger.

Afbeelding met AI, Donald Trump, Elon Musk, klimaatverandering, vaccinatie corona, overstromingen, industrie, bosbranden en oorlog.

De hoop waarmee we zijn opgegroeid – dat het in de toekomst beter zal zijn en dat het recht uiteindelijk altijd zegeviert – overtuigt niet meer. In plaats daarvan zijn we collectief aan het doomscrollen terwijl we verder richting de afgrond glijden. De meme van onze tijd is een hond die koffie drinkt in een brandend huis en “this is fine” zegt, terwijl we allang weten dat het niet langer fine is. Maar wat doen we eraan? De hoop opgeven?

Terwijl Mussolini’s fascisten door de straten marcheerden, schreef de communist Antonio Gramsci vanuit de gevangenis over een vergelijkbare periode van ontwrichting. In zijn 'gevangenisnotities' beschreef hij de jaren dertig van de vorige eeuw als een periode waarin de bestaande orde uit elkaar begon te vallen, terwijl er nog geen alternatief was opgestaan om haar te vervangen. 

In zulke tijden, stelde Gramsci, staan de monsters op: "De crisis bestaat precies uit het feit dat het oude sterft en het nieuwe niet geboren kan worden; in dit interregnum doen zich de meest uiteenlopende morbide verschijnselen voor."

Gramsci schreef zijn notities in de nasleep van de beurskrach, toen het laissez-faire-kapitalisme van de jaren twintig was ingestort, wat tot enorme onvrede en armoede leidde. Zo kwam in Nederland eenvijfde van de mensen zonder werk te zitten en moest de rest van gehalveerde lonen rondkomen. Het vertrouwen in de economie en de democratie brokkelde razendsnel af. We kennen de afloop: fascisten grepen hun kans; autoritarisme, oorlog en genocide volgden.

Dit waren volgens Gramsci geen normale tijden, maar ‘overgangstijden’. Periodes waarin het oude systeem steeds gewelddadiger wordt in zijn pogingen om te overleven, terwijl het nieuwe – de verzorgingsstaat die we na de oorlog op hebben gebouwd – nog niet in zicht is. Vandaag voelt het echter niet eens meer als een overgang maar eerder als een eindeloze spiraal naar beneden. Met de klimaatcrisis die op de achtergrond steeds erger wordt, is er geen uitzicht meer op iets goeds dat uit al dit slechts zou voortkomen. Als we al in een overgangsperiode leven voelt die niet als een brug tussen twee werelden, maar eerder als een modderstroom die alles meesleurt. 

Maar Gramsci zou geen bezwaar hebben tegen dat pessimisme, zolang het ons niet verlamt maar juist in staat stelt om strategisch te handelen. Opgesloten door zijn vijanden, met zijn kameraden in het defensief en terwijl zijn gezondheid hem in de steek liet, schreef hij zijn beroemde zin: “Ik ben een pessimist met mijn verstand, maar een optimist met mijn wil.” 

“ Door het ergste te verwachten, kunnen we ons erop voorbereiden ”

Dit was geen ontkenning van de wereld om hem heen, maar een houding om zich ertegen te verzetten. Want door het ergste te verwachten, kunnen we ons erop voorbereiden. Als je onder ogen ziet wat eraan komt, kun je nog steeds plekken vinden om te handelen: om af te remmen wat wordt vernietigd, te verdedigen wat kwetsbaar is, en ruimte te maken voor de nieuwe wereld die nog moet komen.

Hoop kan een motor zijn, maar ook verdovend werken. Er zit verschil tussen actieve en passieve hoopt. De eerste zet je in beweging: je organiseert, je bouwt, je neemt risico’s omdat je gelooft dat ingrijpen verschil maakt. Passieve hoop daarentegen kalmeert: het komt vast goed, iemand anders zal het oplossen, de geschiedenis buigt toch wel de juiste kant op. In 2008 werd die tweede variant een wereldmerk. Shepard Fairey zette HOPE in kapitalen onder Obama’s gezicht en even leek het alsof de toekomst weer richting had. Sindsdien is het vasthouden aan dat geloof de modus operandi geworden voor progressieven, een soort reflex, ook al overtuigt deze passieve hoop allang niet meer. 

Niemand wil het horen – ik ook niet – maar het is tijd om het geloof dat het wel goedkomt los te laten. Want een hoop die is losgezongen van de werkelijkheid om ons heen is een valstrik: een excuus om nu te wachten en later teleurgesteld te raken. Pas als we erkennen dat het niet beter gaat worden, ontstaat het vermogen om ons er maximaal tegen te wapenen: de schade beperken, het kwetsbare beschermen, en het meeste maken van de situatie. Gramsci’s woorden gaan meer dan ooit op. Dit is de tijd om pessimistisch te zijn over wat eraan komt, en vervolgens aan de slag te gaan. Want er is een wereld te winnen.

De crises van het oude 

Bijna een eeuw geleden stortte de oude wereld in met één enorme dreun. De beurskrach van 1929 trok een spoor van werkloosheid en armoede door de VS en Europa. Miljoenen mensen raakten hun baan kwijt, spaargeld verdampte, en zo ook het vertrouwen in de politieke leiding en het economische systeem. Gramsci noemde dit een gezagscrisis: het moment waarop een heersende klasse haar draagvlak verliest en macht alleen nog kan vasthouden door haar af te dwingen. 

Wat Gramsci inzag toen de wereld om hem heen instortte, is dat macht niet alleen gestoeld is op dwang maar ook op instemming. Macht werkt vaak als een vanzelfsprekendheid: ‘de dingen zitten nou eenmaal zo in elkaar’ en een alternatief wordt niet serieus overwogen. Een goed voorbeeld daar van is te vinden in de woorden van de Britse filosoof Mark Fisher: “Het is makkelijker om je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.” Gramsci noemde zo’n vanzelfsprekende macht een hegemonie. En wanneer die vanzelfsprekendheid verdwijnt, wanneer mensen er niet langer in geloven, is dwang het enige resterende middel om macht uit te oefenen.

De hegemonie die nu kraakt, bestaat uit een reeks vanzelfsprekendheden die we decennialang zijn gaan behandelen als natuurwetten. Dat markten efficiënter zijn dan de overheid. Dat economische groei de oplossing is voor alles. Dat globalisering tot vrede zou leiden. Dat de wereld geregeerd zou worden volgens internationaal afgesproken regels, en dat Amerika ons de weg wijst. Het is de hegemonie die gevat is in de woorden “There is no alternative” van Thatcher (1980), “Government is not the solution to our problem, it is the problem” van Reagan (1981) en de aankondiging van “The End of History” door Fukuyama kort na de val van de Muur: we zouden met de liberale democratie en de vrije markt het eindstation van de mensheid hebben bereikt. En we knikten instemmend mee. 

Maar daar staan we dan. Terwijl alles om ons heen instort. De financiële crisis van 2008 legde de leugen van de neoliberale belofte bloot. Het neoliberalisme leidde niet tot groei en stabiliteit, maar tot speculatie, schulden en groeiende ongelijkheid. Toen het misging, volgde geen fundamentele koerswijziging, maar werd het systeem gestut met belastingcenten voor banken en bezuinigingen voor burgers. 

Sindsdien zijn we crisis op crisis aan het stapelen: de euro-, woon-, stikstof- en klimaatcrisis, een pandemie, oorlog en genocide. En met elke schok brokkelt de consensus verder af. Het vertrouwen in het systeem is ingeruild voor frustratie en woede. Wat ooit gold als natuurlijke orde der dingen klinkt steeds meer als een sleets verkooppraatje.

Deze stapeling van crises – de 'polycrisis', zoals historicus Adam Tooze deze noemt – voelt voor ons alsof we plots in een nieuw tijdperk wakker zijn geworden. Voor grote delen van de wereld is deze permanente crisis echter een continuïteit: een werkelijkheid die begon toen Europeanen met musketten arriveerden om grenzen te trekken, lichamen te verhandelen en bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten. 

Deze crisissituatie komt ook niet als een verrassing. Al in 1972 publiceerden Dana Meadows en de Club van Rome De grenzen aan de groei: een waarschuwing dat een complex ecosysteem geen eindeloze groei en extractie kan dragen en dat zulke druk uiteindelijk omslaat in ontwrichting. Sommigen namen deze waarschuwing destijds serieus; velen zetten haar weg als doemdenken dat de vooruitgang in de weg stond. Maar dat was toen. 

“ De oude wereld doet nog een laatste machtsgreep voordat ze ons meesleurt richting de afgrond ”

Nu de wereld kraakt onder het gewicht van deze polycrisis, reageert het systeem – en iedereen die daarvan profiteert – op de enige manier waartoe het nog bij machte is: door de macht dan maar af te dwingen. De ‘op regels gebaseerde wereldorde’ heeft plaatsgemaakt voor de macht van de sterkste. Wie protesteert, wordt steeds vaker gearresteerd, gecriminaliseerd of zelfs neergeschoten. Onwelgevallige feiten over milieu- en klimaatschade worden terzijde geschoven als leugens en overdrijvingen, of verdrongen door AI slop en het dagelijks schandaaltje. En in plaats van met oplossingen te komen worden ons zondebokken toegewezen. Want de oude wereld ligt op haar sterfbed. Maar zij doet nog een laatste machtsgreep, voordat ze ons meesleurt richting de afgrond en over het randje.

Trumps Amerika is hier het schoolvoorbeeld van. Zij die ooit bondgenoten waren worden inmiddels behandeld als vazallen: Washington dreigt openlijk met het annexeren van Canada en Groenland en zet importheffingen in als chantagemiddel om concessies af te dwingen en loyaliteit te belonen. Mark Carney vatte het scherp samen: de rules-based order is niet aan het wankelen, hij wordt actief uit elkaar gescheurd. Ondertussen wordt in het binnenland een 21e-eeuwse Gestapo op linkse steden afgestuurd om zoveel mogelijk mensen zonder proces te deporteren, kritische media en de centrale bank (FED) bedreigd met rechtszaken en wordt er inmiddels zelfs door de president gefilosofeerd over het cancelen van verkiezingen.

Hier in Europa moet ondertussen alles plots wijken om multinationals geen strobreed in de weg te leggen. Centrumrechts heeft het cordon sanitaire gebroken om samen met radicaal-rechts met de kettingzaag de Green Deal doormidden te scheuren. Auto’s mogen langer op benzine blijven rijden, pesticiden weer ongeremd over ons eten worden gespoten en grote bedrijven gaan we niet langer (burgerrechtelijk) aansprakelijk houden voor schade aan mens en milieu. 

En hier in Nederland moet het mes in de verzorgingsstaat zodat we miljarden aan tanks kunnen kopen zonder dat multinationals iets hoeven in te leveren. Het is de finale poging om de enorme winsten van multinationals overeind te houden, door de bescherming van mens en milieu op het hakblok te leggen. Zelfs als daarvoor moet worden samengewerkt met radicaal-rechts. 

De worsteling van het nieuwe 

Gramsci stierf te vroeg om het zelf te ervaren, maar de nieuwe wereld was aanstaande. Want eerst kwamen de monsters: fascisme in Italië en Duitsland, oorlog, genocide. Maar daarna volgde de ‘nieuwe wereld’: de verzorgingsstaat, groeiende welvaart en een gemengde economie, waar zowel arbeid als kapitaal de vruchten van plukten. Dit Wirtschaftswunder, deze Trente Glorieuses, kwamen niet (na de bommen) uit de lucht vallen maar waren het resultaat van herverkavelde macht: sterke vakbonden, een grote overheid en nieuwe vormen van internationale samenwerking.

In tijden van crises kunnen machtsverhoudingen snel verschuiven. De oude orde is niet langer vanzelfsprekend en verliest haar grip. Wat er daarna komt, hangt af van wie een voldoende sterke coalitie – of in Gramsci’s termen: een ‘historisch blok’ – kan vormen om het oude te vervangen. Fascisten konden in het interbellum, net als nu, niet zonder hulp de macht grijpen. Ze hadden de steun nodig van het grootkapitaal en de conservatieve elite, net zozeer als ze de vrouwenhaters en racisten binnen de arbeidersklasse moesten mobiliseren. Toen delen van die coalitie later spijt kregen, was het al te laat. Want al snel konden de fascisten hun macht met geweld afdwingen. Wie nu denkt met radicaal-rechts te kunnen ‘zakendoen’, speelt met dynamiet. 

“ Hegemonie kan jaren rotsvast lijken, tot ze dat plots niet meer is ”

Net als het klimaat is hegemonie een delicaat ecosysteem. Toen Dana Meadows vijftig jaar geleden waarschuwde voor de gevolgen van ongeremde groei, legde ze uit hoe zulke systemen kantelpunten kennen: momenten waarop druk zich opstapelt, feedback loops beginnen en de ontwrichting enorm kan versnellen. Onze politieke en sociale orde werkt niet fundamenteel anders. Hegemonie kan jaren rotsvast lijken, tot ze dat plots niet meer is. 

Dat is waarom deze zin uit Carney’s speech in Davos zo hard binnenkomt, want zelfs aan de top wordt de breuk inmiddels hardop uitgesproken: “De oude orde functioneert niet meer. We bevinden ons niet in een overgangsperiode, maar midden in een breuk.”

Hoe meer dwang een orde nodig heeft om overeind te blijven, hoe minder instemming ze overhoudt. En precies daarin zit de opening: als consensus wegvalt, wordt macht duurder, kwetsbaarder, afhankelijk van dwang, geweld en chantage. Dan kunnen coalities barsten, belangen verschuiven, en kan er ruimte ontstaan voor een nieuw 'historisch blok'. Een nieuwe wereld, die volgt op de neoliberale, fossiele en Amerikaanse hegemonie van de laatste decennia. De vraag is of wij snel genoeg leren meebewegen en hard genoeg weten te duwen. 

De afgelopen jaren is het idee van ‘sociale kantelpunten’ populair geworden, onder andere bij Extinction Rebellion. Daar circuleert de stelling dat 3,5 procent van de bevolking in aanhoudend protest genoeg kan zijn om een systeem te laten kantelen. Of dat exacte getal klopt is minder belangrijk dan de logica erachter. Kan 3,5 procent die dreigt van bank te wisselen of merken te boycotten – zeker als bedrijven fossiele politiek steunen of diversiteitsbeleid terugdraaien – genoeg zijn om gedrag te veranderen? Kan 3,5 procent die Big Tech de rug toekeert en overstapt op publieke of coöperatieve alternatieven beginnen te knagen aan platformmonopolies? 

Eén ding staat vast: in deze crisisjaren groeit de bereidheid om terug te slaan naar macht die zonder instemming opereert. Niet alleen onder bezorgde burgers maar ook onder machtige spelers. Sinds kort zien we verzekeraars alarm slaan over de klimaatcrisis en pensioenfondsen die hun investeringen uit de Verenigde Staten verschuiven. Op geopolitiek vlak zien we voor onze ogen een radicale shift plaatsvinden: landen die op zoek zijn naar nieuwe afspraken, vaker met China en vaker zonder de Verenigde Staten. Ondertussen wordt hernieuwbare energie in rap tempo goedkoper, terwijl fossiel steeds meer leunt op staatssteun, uitzonderingsposities en geopolitieke bescherming. En dus keren toekomstgerichte bedrijven zich steeds luider tegen de staatssteun voor de fossiele economie van het verleden.

Strategisch pessimisme

Om in deze ‘overgangstijden’ effectief te navigeren is strategisch pessimisme nodig. Niet om later “zie je wel” te kunnen zeggen en ook niet om weg te zakken in totale wanhoop, maar om collectieve handelingskracht terug te winnen in deze crisisjaren. De 21e eeuw wordt geen terugkeer naar normaal. Het wordt een voortrollende ramp: economisch, ecologisch, politiek en psychologisch. Veel mensen voelen dat al, ook al weten we nog niet goed hoe we het moeten dragen. Dit is hét moment om te handelen op basis van de verwachting dat het erger wordt. Om dieper de afgrond in te kijken en de risico’s én de kansen te onderzoeken.

Hoop, wanneer losgezongen van de werkelijkheid, is niet een deugd maar eerder een last. Zij verandert al snel in ontkenning. Wat we nu nodig hebben is geen valse hoop en steeds terugkerende teleurstelling, maar de nuchtere vastberadenheid waar Gramsci over sprak: pessimisme van het verstand, optimisme van de wil. Strategisch pessimisme is waar die twee elkaar ontmoeten: handelen op basis van de verwachting dat het erger gaat worden. Georganiseerd pessimisme is wanneer we samen plannen maken op basis van die verwachting. En ‘actieve hoop’ volgt wanneer we, actief, met die plannen aan de slag gaan. Zelfs als we ons wanhopig voelen.

Crises zijn rampzalig, maar ze herschikken het speelveld: ze openen breuklijnen, leggen zwakke plekken bloot en creëren nieuwe drukpunten. Zeker nu de oude orde desnoods met dwang aan de macht probeert te blijven, ontstaat er ruimte voor nieuwe bondgenootschappen. Strategisch pessimisme geeft ons de mogelijkheid om optimaal gebruik te maken van deze veranderingen, om zo veel als we kunnen te beschermen en waar ruimte vrijkomt het nieuwe te laten opbloeien. Er is geen routekaart voor de akelige jaren die er nog aankomen, maar laten we ons vooral niet blindstaren op hoop.

Naarmate we verder in crises wegzakken, zullen de machten die profiteren van de oude orde steeds vaker grijpen naar dwangmiddelen. Zij zijn nog lang niet klaar met de verdere uitputting van mens en milieu ten behoeve van meer winst en meer macht. Veel van de schade is helaas al onherstelbaar. Dus moeten we twee dingen tegelijk doen: ons voorbereiden op meer ontwrichting én klaarstaan om nieuwe kansen te grijpen wanneer ze zich voordoen. Maar laten we vooral niet geschokt of verrast zijn omdat we stiekem toch hoopten dat het allemaal wel zou meevallen.

Alleen als we accepteren dat de oude wereld uiteenvalt, kunnen we een nieuwe bouwen.