In de Duitse deelstaat Thüringen heeft de rechts-populistische Alternative für Deutschland (AfD) eind juni 2023 voor het eerst een verkiezing voor een Landrat gewonnen.[1] Kort daarop werd in Sachsen-Anhalt een AfD-burgemeester gekozen. In de opiniepeilingen bereikt de AfD inmiddels landelijk twintig procent, waarmee de partij de SPD, de Grünen, Die Linke en de FDP achter zich laat. Onder die partijen is opnieuw paniek uitgebroken.

Hoe moet men reageren op de naar het lijkt voortdurende opmars van de AfD?[2] Zoals de meeste rechts-populistische partijen in Europa, valt de AfD niet op door duidelijke, inhoudelijke politieke voorstellen om maatschappelijke problemen op te lossen, voorstellen die men zou kunnen bestrijden door superieure alternatieven te presenteren. De partij is vooral in schandalen verwikkeld, hetgeen eigenlijk zou moeten bijdragen aan een afnemende populariteit.

Zo is de AfD in Thüringen (en inmiddels ook in Brandenburg) door de Landes-Verfassungsschutz (Staatsbureau voor de Bescherming van de Grondwet) als gesichert rechtsextrem gecategoriseerd en wordt zij permanent door de dienst in de gaten gehouden. Het schijnt de kiezers allemaal weinig te deren. Zij protesteren vooral tegen iets. Maar tegen wat precies?

CDU-leider Friedrich Merz zag twee hoofdthema’s. Allereerst protesteerden de kiezers tegen het energie- en milieubeleid van de regerende coalitie. Het door de Grünen aangedreven beleid polariseerde en radicaliseerde, en daarom diende het CDU vooral zijn pijlen op de Grünen te richten. De empirische onderbouwing en logica hiervan werd ook in zijn eigen partij door slechts weinigen begrepen.

Demonstratie voor vluchtelingen
Foto: John Englart. CC BY-SA 2.0 DEED

De tweede door Merz genoemde hoofdoorzaak: het migratie- en integratiebeleid van de Duitse regering. In een interview met de Augsburger Allgemeine werd hij eraan herinnerd dat hij bij zijn aantreden had beloofd de AfD tot de helft te reduceren. In plaats daarvan is de AfD sinds dat moment in de peilingen twee keer zo groot geworden.

Wat was daar fout gegaan? Merz: “Toen ik dat zei, zaten we nog in de regering en konden we beslissingen nemen die de opmars van de AfD konden tegenhouden. Alle verkiezingsonderzoekers vertellen ons dat de AfD bijna alleen het vluchtelingenbeleid als onderwerp heeft. Een ander vluchtelingenbeleid zou ertoe leiden dat de peilingen van de AfD weer zouden dalen. Maar als de federale regering het tegenovergestelde doet, kan de oppositie ze niet halveren.”[3]

Dit standpunt is niet bepaald uniek. In bijna alle westerse democratieën menen politieke partijen de florerende populistische partijen te kunnen bestrijden door vooral hun standpunten met betrekking tot migratie over te nemen. Net als Merz beroept men zich daarbij geregeld op de resultaten van kiezersonderzoek. Niet alleen het debat maar ook het beleid is hierdoor naar rechts verschoven. Nergens blijkt deze strategie echter werkelijk succesvol te zijn.

Kennelijk zijn er andere thema’s die mensen bewust of onbewust motiveren rechts-populistische partijen te ondersteunen. Mogelijk vertellen zij aan opiniepeilers over meningen die niet werkelijk hun frustraties, wensen of behoeften weergeven. Het is daarom tijd om een stap terug te zetten: weten mensen werkelijk wat zij willen? Heeft het zin op de nu gebruikelijke wijze naar hun wensen te vragen? En welke rol zouden de politiek en de wetenschap moeten spelen om mensen te helpen hun politieke preferenties in overeenstemming te brengen met hun ‘werkelijke’ behoeften, wensen en doeleinden? 

Dodelijke vergissingen

De markt en de liberale democratie zijn beide gebaseerd op de aanname dat individuen de best mogelijke scheidsrechters zijn van hun persoonlijke belangen. Dit is begrijpelijk, omdat niemand ons zo lang en zo goed kent als wij onszelf. Het lijkt ook verstandig, omdat individuen in de geschiedenis met regelmaat zijn gedwongen om zaken te willen of te doen die tegen hun voorkeuren, welzijn en rechten ingingen door leiders die meenden het beter te weten.

De pretentie beter te weten wat goed voor een ander is, is paternalisme. Als autonomie onze menselijkheid definieert, dan zijn paternalisme en andere inmengingen in onze autonomie een inbreuk op onze waardigheid.

“ 

Niet alleen kinderen, maar ook volwassenen zijn vaak ongeïnformeerd, oppervlakkig of incorrect over hun voorkeuren

 ”

Niettemin weten we dat niet alleen kinderen, maar ook volwassenen vaak ongeïnformeerd, oppervlakkig of gewoon incorrect zijn over hun voorkeuren, wensen en belangen. Dit verklaart het bestaan van therapeuten en psychiaters. Het verklaart deels het succes van kunst en literatuur, die ons vaak een beter begrip bijbrengen van onszelf en de wereld waarin we ons bevinden. Reclame en marketing laat ook zien dat onze voorkeuren maakbaar en veranderlijk zijn. Het is een teken van hypocrisie wanneer aanhangers van de ‘vrije markt’ zichzelf opwerpen als de ultieme verdedigers van vrijheid en autonomie: in stilte weten ze wel beter.

Hele beschavingen kunnen collectief een verkeerd beeld hebben van wat een gelukkig, bevredigend leven vormt. De leden ervan kunnen bijvoorbeeld wijsgemaakt zijn dat productie, consumptie en groei existentiële zaken zijn, en kunnen in het proces van het najagen van dit ideaal langzaam al die sociale, gemeenschappelijke en culturele activiteiten vernietigen die, zo toont onderzoek aan, werkelijk bijdragen aan ons welzijn (Lane 2000).

In besluitvormingsprocessen kunnen gesloten groepen mensen eveneens het slachtoffer worden van foutief ‘groepsdenken’. Hierbij verwijzen ze in toenemende mate alleen naar elkaar, zoeken ze collectief vooral naar informatie die aannames en reeds bereikte conclusies bevestigt en negeren ze informatie die de richting waarnaar de groep marcheert in twijfel zou kunnen trekken (Janis 1972).

Waarheid of rationaliteit wordt in dit proces opgeofferd voor harmonie. Men heeft de frisse invalshoek van buitenstaanders nodig om deze tendens tegen te gaan, maar het is eigen aan veel groepen om vertegenwoordigers van andere perspectieven uit te sluiten.

Democratieën zijn meer dan stemmachines

In de (niet-economische) democratische theorie erkennen we dat burgers en kiezers onzeker kunnen zijn over hun voorkeuren, of deze zelfs verkeerd kunnen inschatten. Democratie is daarom meer dan een stem uitbrengen: het is ook een actieve uitwisseling van informatie, standpunten, waarden, doelen en voorkeuren.

Pas nadat dit proces tot op zekere hoogte heeft plaatsgevonden – een proces waarin voorkeuren niet zozeer geregistreerd maar ontwikkeld worden – heeft het zin om te stemmen en deze stem als gezaghebbend te aanvaarden. Als dit niet het geval was, zouden we ons morgen kunnen ontdoen van politieke partijen, parlementen, verkiezingen of vrije pers en over beleid kunnen beslissen via dagelijkse internetpeilingen.

Professionele politici en hun partijen spelen een belangrijke rol in dit deliberatieproces, als bronnen van informatie en standpunten om het algemeen belang te realiseren. Politici volgen dus niet alleen bestaande voorkeuren: ze informeren en vormen ze ook. En dus dient de politiek te informeren en te verhelderen, en de structuren te scheppen waarin burgers gezamenlijk hun politieke preferenties kunnen ontwikkelen, waarin zij zich meer bewust zijn van grote problemen die spelen in de samenleving, en de oplossingen die daarvoor mogelijk zijn.

De voorkeuren van burgers kan men dan vervolgens bij politieke beslissingen betrekken via een referendum, waarbij alle kiezers betrokken zijn, of via een minipubliek, burgerberaad of burgervergadering, die deze kiezers vertegenwoordigt. Voor deze opties kan worden gekozen wanneer het politieke systeem er lange tijd niet in is geslaagd tot een besluit te komen of wanneer het, in het geval van een referendum, belangrijk wordt geacht dat het besluit door een meerderheid van de burgers wordt gedragen en niet alleen door hun volksvertegenwoordigers.

Niet alle politici houden zich bezig met informeren en verhelderen. Politici zijn ook economische ondernemers, op zoek naar stemmen en macht. Hoe meer ze de bestaande voorkeuren volgen, hoe gemakkelijker ze stemmen winnen. Dus doen ze zich vaak voor als de echte vertegenwoordigers van het volk, die vechten voor de genegeerde gewone man en vrouw tegen de gevestigde belangen in de respectievelijke hoofdsteden. Het is een dunne lijn tussen democratie en populisme.

“ 

Soms hebben mensen last van een soort ongericht, onbestemd onbehagen

 ”

Maar individuen weten dus niet altijd wat ze willen. Soms hebben mensen last van een soort ongericht, onbestemd onbehagen; ze zijn ontevreden, gefrustreerd of geagiteerd. Er jeukt iets, maar het is moeilijk te bepalen waar het precies jeukt en waarom. Mensen kunnen vage ‘problemen’ hebben, stelde de socioloog C. Wright Mills, die nog niet vertaald zijn in ‘kwesties’, kwesties die op de politieke agenda gezet kunnen worden en op basis waarvan beleid geformuleerd kan worden.

Instead of troubles defined in terms of values and threats”, schreef Wright Mills, “there is often the misery of vague uneasiness, instead of explicit issues there is often merely the beat feeling that all is somehow not right.” (1959: 18) Het is de taak van de politicus om naar deze problemen te zoeken, ze te vertalen in kwesties en een politiek programma te formuleren dat die kwesties aanpakt.

Als men hierin niet slaagt, zet men de deur open voor valse maar makkelijk te begrijpen interpretaties en definities van problemen. Uiteindelijk dragen deze niet bij tot het oplossen van de onderliggende problemen en leiden ze slechts tot meer ongerichte frustratie, onbehagen en ongeloof in democratische instellingen, instellingen die blijkbaar niet in staat zijn om te ‘leveren’.

Een goede sociale wetenschapper?

Men kan het als een academische verantwoordelijkheid zien te helpen bij het lokaliseren, definiëren en aanpakken van diepere problemen. Meer dan de politicus zou de academicus de tijd, de middelen, de afstand, het overzicht en zelfs de kennis moeten hebben om bij te dragen aan de vervulling van deze democratische taak.

Deze bijdrage zou meer moeten zijn dan het onderzoeken van wat mensen onmiddellijk uitdrukken als hun voorkeuren of overtuigingen. Dit soort onderzoek is vaak niet meer dan een echokamer van wat succesvolle populistische politieke ondernemers de burger hebben aangeboden als verklaring voor zijn ‘vaag onbehagen’.

Zo heeft onderzoek naar populistische bewegingen regelmatig ongewild bijgedragen aan de Salonfähigkeit van die populistische veronderstellingen. Menig politieke partij, de CDU van Merz staat hierin bepaald niet alleen, heeft zelfs haar standpunten aangepast op basis van dit soort oppervlakteonderzoek, wat alles alleen maar erger maakt. De wijdverbreide overtuigingen dat de nieuwkomers of dat ‘Europa’ schuldig zijn aan ons onbehagen, illustreren dit.  

Wanneer patriotten in Dresden dus plotseling de straat op gaan, zoals vanaf de herfst van 2014 gebeurde, om te protesteren tegen een handjevol moslims in hun gemeenschap, brengt het ons niet veel verder hen te enquêteren over hun opinies en hun antwoorden te beschouwen als een serieuze beschrijving van hun problemen. Er moet iets anders aan de hand zijn geweest, net als in veel andere Europese landen waar de ‘moslim’, de ‘immigrant’ of de ‘Europese Unie’ plotseling werden gezien als de kwestie die het onbehagen bepaalde.

Veel Britten zijn er inmiddels achter gekomen dat de Brexit de kwaliteit van hun leven geenszins heeft verbeterd. Ook de overname door de CDU van de migratiestandpunten van de AfD zal er slechts toe leiden dat de maatschappelijke aanvaardbaarheid van deze standpunten wordt vergroot, met als gevolg dat nog meer mensen het denk- en eerbaar zullen achten om op de AfD te stemmen.

Wat steeds weer opvalt na uitbarstingen van onvrede, wrok of woede, is de oorverdovende stilte van de sociale en politieke wetenschappen. Zelden zien ze deze uitbarstingen aankomen, bijna nooit hebben ze een analyse van de onderliggende zorgen en zelden bieden ze definities van troubles die hoop geven op het oplossen van echte problemen.

Het hele Nederlandse politieke, academische en journalistieke establishment werd compleet verrast toen eind jaren ’90 Pim Fortuyn bijna tot premier werd gekozen. (Postuum werd hij de ‘grootste Nederlander aller tijden’.) Alles ging perfect in Nederland, het einde van de politiek en de geschiedenis kon worden aanschouwd, vertelden geleerden en politici het publiek (Blokland 2008).

En dus hadden ze niet veel te zeggen toen hen werd gevraagd naar een verklaring voor de opkomst van Fortuyn (en later van Wilders, Baudet of Van der Plas) en voor het ressentiment dat hij met succes wist aan te boren. Ze hadden ook nauwelijks iets te bieden toen hen gevraagd werd naar programma’s die de onvrede zou kunnen verminderen.

Dezelfde verbijstering en stilte van sociale en politieke wetenschappers was te zien in Duitsland tijdens de opkomst in de laatste paar jaar van het fenomeen van zich tegen de overheid verzettende Wutbürger, de Pegida-beweging of de AfD. De interpretatie moest vooral door journalisten worden gedaan, en ook zij wisten nauwelijks wat ze ermee aan moesten.

Het feit dat veel Pegida-demonstranten weigerden om met hen te praten en het gepast vonden om de hele media als Lügenpresse te omschrijven, laat zien dat het politieke, academische en journalistieke establishment de afgelopen decennia slecht werk heeft geleverd om de problemen van de betrokkenen te begrijpen, te beschrijven en eraan te werken.

Wat zit ons dwars?

Welke problemen zouden we kunnen vinden als we op een serieuze manier met mensen zouden communiceren? Dit is moeilijk te zeggen, omdat wij sociale en politieke wetenschappers niet echt de gewoonte hebben om met andere mensen te praten; we praten vooral graag met elkaar. Als we willen weten wat de gewone man denkt, praten we misschien met de taxichauffeurs die ons van het vliegveld naar onze internationale conferenties brengen, maar dat is het wel zo’n beetje.

“ 

Wij wetenschappers hebben niet de gewoonte om met andere mensen te praten; we praten vooral graag met elkaar

 ”

Er zijn niettemin plausibele aanwijzingen dat mensen last hebben van de gestage economisering en bureaucratisering van steeds meer levenssferen. Mensen hebben steeds meer het gevoel volledig overgeleverd te zijn aan de genade van machten die ze niet begrijpen of controleren (Blokland 2011). De geleidelijke afname van de vrijheid om de ontwikkeling van onze samenleving en, bij extensie, ons persoonlijke leven te beïnvloeden, creëert een gevoel van malaise of machteloosheid dat zich vertaalt in politieke apathie en cynisme, en regelmatig schreeuwt om echte, vastberaden politiek, helaas voornamelijk aangeboden door populisten.

Daar waar deze processen het meest radicaal en snel zijn geweest, zoals in de nieuwe oostelijke lidstaten van de Europese Unie, is de malaise het sterkst, ondanks de onbetwiste winst in politieke vrijheden. Zeker op het platteland van de voormalige Deutsche Demokratische Republik kan men waarnemen welke maatschappelijke kaalslag ongebreidelde marktkrachten kunnen veroorzaken (Blokland 2017).

De vermarkting en economisering van steeds meer levenssferen leidt verder tot een stressmaatschappij waarin mensen zich steeds meer verpletterd voelen tussen confligerende verplichtingen thuis en op het werk. De versnelde hedonistische tredmolen van werk en consumptie holt al die activiteiten uit die significant bijdragen tot menselijke bloei. Al tientallen jaren groeit daarom in westerse marktdemocratieën de omvang van klinische depressie, zelfmoord en verslavingen, net als van klachten over eenzaamheid, gebrek aan gemeenschap en verbondenheid (Lane 2000).

Dit zijn voorbeelden van grote problemen die om grote antwoorden vragen. De antwoorden zijn onvermijdelijk tevens gebaseerd op empirisch onderbouwde normatieve visies op het Goede Leven en op de Goede Samenleving die dit leven mogelijk maakt. De politiek dient dit soort problemen te lokaliseren, te benoemen en aan te gaan. Wanneer zij hiertoe onvoldoende in staat is, zoals het geval lijkt te zijn, hebben ook de maatschappijwetenschappen een belangrijke taak te vervullen. Het is het proberen waard.

Literatuur

  • Blokland, Hans. 2008. Een Lange Leegte: Over Maatschappelijk onbehagen, Politieke Competentie en het Plannen van een Toekomst. Kampen: Uitgeverij Klement.
  • Blokland, Hans. 2011. Pluralism, Democracy and Political Knowledge. London and New York: Routledge.
  • Blokland, Hans. 2017. Deliberation against populism: reconnecting radicalizing citizens in East-Germany and elsewhere. Potsdam: Social science Works.
  • Blokland, Hans. 2022. Een programma tegen democratisch verval. Socialisme & Democratie. 2022, Jg.79, Nr.2, pp. 43-53.
  • Janis, Irving L. 1972. Victims of Groupthink: a Psychological Study of Foreign-Policy Decisions and Fiascoes. Boston: Houghton Mifflin.
  • Lane, Robert A. 2000. The Loss of Happiness in Market Democracies. New Haven and London: Yale University Press.
  • Mills, C. Wright. 1959. The Sociological Imagination. New York: Oxford University Press.

Voetnoten

  1. Een Landrat of een districtscommissaris is de hoogste gekozen beambte van een regio in een deelstaat. Sonneberg, waar de AfD met 53 procent in de tweede stemronde won, heeft ongeveer 55 duizend inwoners, waarmee het een relatief klein district vormt.
  2. ZDF Heute. Nach Wahl in Sonneberg: Wie andere Parteien auf AfD-Erfolge reagieren. 27.06.2023.
  3. Wais, Rudi und Christian Grimm. Friedrich Merz: Konservativ ist ein Synonym für Sicherheit im Wandel. Augsburger Allgemeine. 28.06.2023.