In de steden is stabiel grondwater voor zo’n 425.000 huizen op houten palen fundamenteel voor hun waardebehoud. Dit komt doordat het grondwater de palen nat en daarmee stabiel houdt. Aanhoudende droogte doet het grondwater dalen en plotselinge hoosbuien laten het grondwater fluctueren. Droogstand maakt de palen vatbaar voor houtrot. Eenmaal aangetast, zullen de palen langzaam rotten en zal het pand verzakken of scheuren. Panden die bij verkoop melding maken van funderingsschade leveren gemiddeld zo’n 12 procent minder op.
Steden worden steeds vaker hitte-eilanden waarbij de gevels de hitte opslaan en de nachten veel minder koel zijn. Hete steden remmen bovendien de arbeidsproductiviteit van buitenwerkers, zoals mensen in de bouw en de agrarische sector. Op straat zijn water en groen tegen de gevels steeds belangrijker voor de leefbaarheid op hete zomerdagen.
Uitstoot verminderen
De drie pijlers van klimaatweerbaarheid vragen om verschillende maatregelen. De eerste pijler betreft preventie: het reduceren van de klimaatdreiging. Het beperken van de CO2-uitstoot is daarvoor nog steeds de meest effectieve manier. Uiteraard is daar wereldwijde politieke wil voor nodig, maar elke tiende graad die de aarde niet opwarmt, scheelt gigantische schade.
Bezien vanuit klimaatadaptatie is dreiging voorkomen traditioneel vooral een kwestie van investeringen in dijkbescherming en zee-keringen. Marjolein Haasnoot, directeur van kennisinstituut Deltares, stelde in haar recente oratie echter dat er een grens is aan wat onze delta kan voorkomen. Het ‘managen’ van waterproblemen door water weg te pompen, tegen te houden of te bufferen is bij de huidige meest waarschijnlijke klimaatscenario’s nog realistisch, maar bij een zeespiegelstijging van meerdere meters na 2100 zijn drastischere aanpassingen nodig.
Het is de vraag hoelang die aanpassingen haalbaar blijven. Hoewel het KNMI voor deze eeuw nog uitgaat van een stijging van maximaal één meter, zijn de risico’s van zogenaamde tipping points (waarbij een plotselinge onomkeerbare versnelling van klimaatextremen optreedt) inmiddels standaardonderdeel van de waarschuwingen van onder meer het wetenschappelijke klimaatpanel IPCC.
Dat onderstreept nog eens het belang van wereldwijde vermindering van de CO2-uitstoot. Het is de meest kosteneffectieve manier om schade te voorkomen. Niettemin kost het verminderen van de wereldwijde uitstoot triljoenen euro’s; dat geld moet worden opgebracht door bedrijven, huishoudens en de overheid.
Kwetsbaarheid verminderen
De tweede manier om ons weerbaar te maken is gevolgbeperking: het verminderen van onze kwetsbaarheid voor klimaatverandering. Gevolgbeperking kan ‘in situ’ – een aanpassing op dezelfde locatie – of door ‘meebewegen’.
Een voorbeeld van in situ aanpassing is het vergroenen van gevels in combinatie met waterretentie onder de stoep. Dat zorgt voor minder schade na zware regen en heeft aanvullende voordelen. Zo zorgt waterretentie voor sterkere plantengroei, waardoor fijnstof en biodiversiteit behouden blijven. Waterretentie waarmee gevels groen blijven tijdens perioden van droogte leidt tot minder hitte in de woning en dus minder behoefte aan airconditioning.
Een ander voorbeeld is het build back better-concept dat steeds meer verzekeraars toepassen. Build back better gaat over slimme wederopbouw na schade, om toekomstige klimaatschade bij vergelijkbare rampen te verkleinen. Denk aan waterbestendige in plaats van houten vloeren op overstroombare etages of het plaatsen van kwetsbare apparatuur op een hogere etage.
Voor de investeringen die nodig zijn voor groene gevels, waterretentiekratten of bomen kunnen gemeenten de extra belastinginkomsten door waardestijging van woningen na deze verbeteringen gebruiken als een voorinvestering. Woningeigenaren kunnen als belanghebbende hun woningwaardestijging mogelijk verzilveren met een extra hypotheek. Omdat naar verwachting de maandlasten dalen door minder energieverbruik, betalen de extra maandlasten zich deels terug.
Door build back better hoeven verzekeraars in de toekomst minder schade uit te keren. Zij kunnen een deel van deze bespaarde schadelast doorspelen aan hun klanten via lagere premies.
Meebewegen met klimaatrisico’s
Gevolgbeperking via ‘meebewegen’ is een andere vorm van adaptatie. We spreken van meebewegen wanneer woningzoekers klimaatrisico’s sterker gaan meewegen in hun aankoopbeslissing. Panden op locaties met meer klimaatrisico zijn dan relatief minder in trek dan die op klimaatveiligere locaties. Deze verplaatsing van de vraag gaat gepaard met prijsveranderingen. Door in de locatiekeuze voor woningbouw de klimaatveiligheid mee te wegen, beweegt het aanbod van nieuwe woningen mee met de vraag. Dit voorkomt al te sterke prijsschommelingen.
Wel ontstaan hier ook risico’s op nieuwe vormen van ongelijkheid, namelijk klimaatongelijkheid. Dit gebeurt wanneer woningzoekers met minder financiële middelen voor woningen kiezen die goedkoper zijn vanwege klimaatrisico’s. Deze woningeigenaren hebben een grotere kans op klimaatschade, terwijl zij juist minder middelen hebben om deze te herstellen.
Meebewegen naar klimaatveilige locaties is in Nederland vooral een zaak voor kopers en minder voor huurders. Klimaatschade raakt voor het grootste deel de eigenaren van vastgoed. Huurders kunnen hun huur opzeggen en proberen ergens anders een woning te vinden. Als dat niet gewenst of mogelijk is, ligt huurverlaging voor de hand. Onderzoek in de VS laat zien dat elke dag waarop een huurwoning moeilijk bereikbaar is doordat de straat na een hoosbui ‘blank staat’, de huur met 0,23 procent daalt.