Tenslotte geeft Buijssen adviezen over hoe te discussiëren met aanhangers van het populisme en hoe hen te overtuigen (en dat valt niet mee). Mijn indruk is dat campagneleiders en verkiezingsstrategen die grip willen krijgen op het populisme uit de psychologische hoofdstukken van dit boek méér zouden kunnen halen dan Buijssen zelf doet. Maar dan moeten ze het wel even lezen.
Neoliberale revolutie
Als econoom kan ik het overigens ook niet laten om een vraag te stellen over de sociaaleconomische achtergronden van de populistische golf. Waarom spoelt deze golf juist nu over ons heen? Waarom niet tientallen jaren eerder (of later)? De psychologische analyses van Buijssen zijn zeer behulpzaam voor wie wil begrijpen hoe de populistische propaganda werkt, maar ze kunnen niet verklaren waarom deze propaganda juist nu zo goed werkt.
Dit is wat mij betreft alleen te begrijpen tegen de achtergrond van lange-termijn economische ontwikkelingen. De jaren zeventig van de vorige eeuw brachten een serie economische tegenslagen waar de toen heersende economische doctrine (het keynesianisme) geen goed antwoord op had. Het zo ontstane theoretische vacuüm werd gevuld door de aanhangers van de Mont Pèlerin Society van Hayek en Friedman, die zichzelf als ‘neoliberaal’ afficheerden. De neoliberale revolutionairen werden in de jaren tachtig oppermachtig in de economische faculteiten en economische adviesorganen. Ze propageerden privatisering, liberalisering en marktwerking bij van alles en nog wat.[1] Kernpunten van hun programma waren onder meer structurele hervormingen van de arbeidsmarkt (vooral soepeler ontslag), de zorg voor een hoger niveau van werkloosheid als disciplineringsinstrument voor de werkende klasse,[2] en het uitkleden van de sociale zekerheid.
De VS hoorden bij de kleine kopgroep landen die met neoliberale hervormingen – Reagonomics – het vroegst en het meest resoluut aan de slag gingen. Europese landen volgden met een tijdsvertraging (en soms minder resoluut). De gevolgen zijn bekend: naarmate de neoliberale revolutie vorderde groeide de baan-onzekerheid en de ongelijkheid van inkomens (en vooral: van vermogens).
Een iets minder bekende uitkomst van de neoliberale flexibilisering van arbeid is de negatieve invloed ervan op innovatie. Het hire & fire op de arbeidsmarkt vermindert vertrouwen en loyaliteit van mensen en dat maakt het management van kennis (en dan vooral van impliciete ervaringskennis) lastig. Het vertraagt ook de diffusie van innovaties.[3] Vandaar dat de hoogflexibele Amerikaanse arbeidsmarkt in het Midden-Westen van de VS een Rust Belt creëerde waar Trump electoraal erg goed boert.
Dit alles resulteert in een langzamere groei van de productiviteit en daarmee van de koek die jaarlijks extra kan worden verdeeld tussen kapitaal, arbeid en overheid. Neem daarbij dat het sociale vangnet het laat afweten en dat de (geringe) groei van de koek almaar eenzijdiger wordt verdeeld tussen de top van de inkomenspiramide en het peloton; dan is het niet al te moeilijk om je voor te stellen dat er een groeiende groep mensen ontstaat die zich door een ‘elite’ bedonderd voelt.
Buijssen laat goed zien hoe benadeling en achterblijven ten opzichte van anderen psychisch doorwerkt. Zijn argumenten maken begrijpelijk dat de benadeelden op een dag op een messias gaan stemmen van wie ze hopen dat hij ze verlost uit hun misère. Dat deze messias hen vervolgens van de wal in de sloot helpt, is van later zorg.