Als die grotere fracties aan de onderhandelingstafel komen, zouden ze er goed voor moeten staan. Ecker en Gross (2026) analyseren de verdeling van wethoudersposten in Duitse gemeenten. Deze is evenredig met het zeteltal van de raadsfracties. Dus dat is mooi, want hoe groter de GroenLinks-PvdA-fracties zijn, des te meer wethouders ze krijgen. De relatie noemen we de wet van Gamson, vernoemd naar William Gamson, die deze relatie in 1961 voor het eerst observeerde. De relatie is zeer sterk, zowel op landelijk als op lokaal niveau.
Maar het probleem is dat wethoudersposten niet opdeelbaar zijn en dat er een wettelijke limiet is aan het aantal wethoudersposten. Daardoor ontstaan er allerlei inefficiënties. Neem een hypothetische situatie: GroenLinks-PvdA (10 zetels) onderhandelt met D66 (8 zetels) en de PvdD (1 zetel), over zeven wethoudersposten. Bij een evenredige verdeling zou de PvdD recht hebben op 0,4 wethouder, D66 op 2,9 wethouders en GL-PvdA op 3,7. Dan zijn er eigenlijk twee mogelijkheden waarbij alle partijen ten minste één wethouder krijgen: of 4-2-1, waarbij GL-PvdA ondanks dat ze maar een kwart groter was dan D66 twee keer zo veel wethouders krijgt; of 3-3-1, waarbij de grootste partij inlevert.
Al sinds het werk van Browne en Franklin (1973) weten we dat de grootste partij inlevert om de kleinere partijen die eigenlijk geen bestuurders zouden krijgen een wethouder te geven.