In je vorige boek, Er is leven na de groei, liet je zien hoe Nederland op nationaal niveau een post-groeitransitie kan vormgeven. Wat was de motivatie om nu een boek te schrijven dat zich focust op Europa? 

“Ik heb dit boek geschreven uit emotie, omdat er sinds 2024 een nieuw narratief dominant begint te worden. Dat narratief is dat Europa niet meer competitief is. En dat Europa, om weer competitief te worden, alle democratische normen die we stellen aan de economie zou moeten verlagen. Ik denk echt dat dat niet de weg is die we moeten kiezen en dat er een alternatieve koers voor Europa mogelijk is die veel positievere uitkomsten heeft voor mens, aarde en economie. Daarom heb ik dit boek ook in een Europese context geschreven, omdat Europa nu voor die keuze staat.”

Paul Schenderling
Paul Schenderling. Foto: Wouter Keuris.

In je boek laat je zien dat het verlagen van democratische normen verband houdt met wat je de ‘pijnlijke scheiding tussen democratie en kapitalisme’ noemt. Onze democratische keuzes worden daarbij ingeperkt door een soort ‘gouden dwangbuis’. Kun je toelichten wat je daarmee bedoelt?

“Het was eigenlijk een heel naïef geloof dat democratie en kapitalisme samen zouden gaan. Wat je meestal ziet, is dat economisch liberalisme ervoor zorgt dat de zekerheden van mensen zover worden uitgehold en ook dat bedrijven uiteindelijk zoveel invloed krijgen op het democratisch proces dat de democratie sterk wordt uitgehold. Dat zien we vandaag op heel veel verschillende manieren, maar laat ik de twee belangrijkste eruit lichten. Ten eerste is door de hevige mondiale concurrentie tussen praktisch opgeleiden de beroepseer van dit deel van de bevolking volkomen geërodeerd. Dat leidt tot een enorm gevoel van onderwaardering, wat zich uit in verlies aan vertrouwen in de democratie.

Ten tweede kunnen bedrijven zomaar hun kapitaal verplaatsen over de hele wereld. Hierdoor zijn democratisch gekozen politici chantabel geworden. Op het moment dat zij een democratisch voorstel doen, kunnen bedrijven namelijk altijd zeggen: ‘Als jullie dat voorstel aannemen, dan verplaatsen we ons bedrijf.’ Dit leidt er ook toe dat de democratische opties ingeperkt worden tot een hele smalle set keuzes die het beste zijn voor het vestigingsklimaat. Dat wordt ook wel een gouden dwangbuis genoemd. Deze twee tendensen drijven democratie en kapitalisme uit elkaar en zorgen er uiteindelijk voor dat de mensen met economische macht ook de meeste politieke macht krijgen.”

We worden geconfronteerd met een trilemma, schrijf je in je boek. Wat houdt dat in?

“Ik heb het trilemma ontleend aan het werk van Harvard-econoom Dani Rodrik. Hij heeft dat ontwikkeld in 2011 in zijn boek The Globalization Paradox. Ik heb daar zelf een variant op gemaakt voor het Europa van nu. In deze variant zijn er drie puzzelstukjes: de hyperglobalisering, het behoud van de Europese industrie en het behoud van Europese sociale en ecologische wetgeving. Van deze drie puzzelstukjes kunnen we er maar twee tegelijk kiezen. Dat betekent dat er in principe drie combinaties mogelijk zijn en dat Europa momenteel op een driesprong staat. De eerste afslag van de driesprong is dat we hyperglobalisering behouden én onze sociale en ecologische wetgeving behouden, maar dan zal door mondiale concurrentie onze industrie teloorgaan. Een proces dat nu eigenlijk al begonnen is.

De tweede combinatie die we kunnen maken, is dat we hyperglobalisering én onze industrie willen behouden. Maar in dat geval zullen we onze sociale en ecologische wetgeving drastisch moeten afzwakken. Deze twee opties zie je nu voornamelijk terug in het politieke debat. Je zou zelfs kunnen zeggen dat dit het centrumlinkse en het centrumrechtse verhaal in Europa is op dit moment. 

“ We moeten het Europese handelsbeleid weer gaan politiseren ”

Maar een trilemma heeft gelukkig drie mogelijke richtingen. De derde mogelijkheid is dat we onze sociale en ecologische wetgeving én onze industrie behouden. Maar dan zullen we radicaal afscheid moeten nemen van hyperglobalisering. We zullen echt een fundamenteel andere handelspolitiek moeten voeren. Eén van mijn voornaamste drijfveren om dit boek te schrijven, is dat we door kennis te nemen van het trilemma het Europese handelsbeleid weer gaan politiseren. Te vaak wordt in politieke debatten en verkiezingsprogramma’s het handelsbeleid als een soort natuurwet beschouwd, iets dat je niet kunt wijzigen. Terwijl dat wel degelijk kan. Die optie wil ik toevoegen aan het politieke debat.”

We willen natuurlijk graag dat de sociale en ecologische wetgeving – waar Europa juist in uitblinkt – overeind blijft. Hoe kunnen we ons handelsbeleid dan het beste inrichten? En hoe kunnen we op de juiste manier navigeren tussen doorgeslagen globalisering en doorgeslagen protectionisme? We zijn tenslotte ook afhankelijk van grondstoffen die van buiten Europa komen.

“Om te beginnen denk ik dat, als politici nog langer blijven wegkijken, de kans groot is dat we net als de Verenigde Staten van het ene uiterste, hyperglobalisering, doorschieten naar het andere uiterste, protectionisme. Omdat de enorme onvrede die hyperglobalisering teweegbrengt, bijvoorbeeld bij de werkende klasse, zich steeds verder blijft opbouwen. Er is gelukkig wel een redelijke middenweg mogelijk. Dani Rodrik noemt dat ‘globalisering met gezond verstand’. Waarbij je ja zegt tegen internationale handel, en nee tegen handel die niet aan democratisch vastgestelde normen voldoet. 

In mijn boek doe ik voorstellen over hoe we dit anno nu kunnen invoeren. Mijn eerste voorstel is om alle kosten die bedrijven momenteel proberen te vermijden door buiten Europa te produceren – bijvoorbeeld de kosten om zowel goed voor hun werknemers als voor het milieu te zorgen – alsnog in rekening te brengen aan de Europese grens. Tenzij een bedrijf onafhankelijk gecertificeerd kan aantonen dat het wel netjes die kosten voor zijn werknemers en de aarde maakt. Daarmee ontstaat er weer een eerlijk speelveld voor internationale handel. En als dan blijkt dat door internationale concurrentie sommige industrieën concurrerender zijn buiten Europa, dan heb ik vrede met zo’n uitkomst. Maar op het moment dat dat niet zo is door oneerlijke concurrentie bijvoorbeeld omdat de kosten voor arbeid en milieu kunstmatig laag worden gehouden, of omdat er veel staatssteun wordt gegeven, zoals China al decennialang doet dan vind ik echt dat Europa daar veel daadkrachtiger tegen moet optreden. 

Het tweede concrete voorstel dat ik doe, is om veel strenger te gaan controleren aan de grens op fysieke productvereisten. Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan onze garantiewetgeving, maar ook aan productveiligheidseisen. Op dit moment zijn de steekproeven die de douane neemt van de enorme hoeveelheid geïmporteerde producten veel te klein om voldoende handhaving te garanderen. Daar komt nog eens bij dat pakketjes die wij rechtstreeks bestellen bij webshops buiten de EU überhaupt niet gecontroleerd worden aan de grens. Uit onderzoek van bijvoorbeeld journalisten blijkt dat een heel groot deel van deze producten niet eens voldoet aan basale veiligheidseisen, laat staan dat ze voldoen aan bijvoorbeeld de garantietermijn van de EU van minimaal twee jaar. En deze zeeën van producten van lage kwaliteit brengen natuurlijk, behalve oneerlijke concurrentie, ook een gigantische milieu-impact met zich mee. Het zou echt veel beter zijn als we in Europa zouden kiezen voor kwaliteit, ook wanneer we producten importeren.”

Die grote instroom van goedkope producten van lage kwaliteit in Europa hangt samen met wat jij onze ‘groeiverslaving’ noemt. Deze verbind je in je boek met ons begrip van vrijheid. Je betoogt dat de huidige invulling van vrijheid, opgevat als de mogelijkheid om onbeperkt te consumeren, te oppervlakkig is en dat we zouden moeten streven naar een meer wezenlijke vorm van vrijheid.

“Het zou zo fantastisch zijn als we onze economie weer dienstbaar kunnen maken aan het goede leven, aan de doelen van het leven. Want op dit moment is het zo dat de samenleving en de aarde ten dienste worden gesteld van de economie. En dat is echt een idiote omkering van doelen en middelen. Groeiverslaving is daar, denk ik, het perfecte voorbeeld van. Wij worden slaaf gemaakt van de economie, doordat we gemanipuleerd worden op de meest subtiele manier zelfs door neuromarketing. 

In mijn boek geef ik het voorbeeld dat mensen letterlijk in hersenscanners worden gelegd om te meten welk koekje de optimale verhouding van suiker en vet bevat – een verhouding die echt door en door verslavend is. En dat koekje komt dan vervolgens in de winkel te liggen. Op dezelfde wijze worden ook reclames vertoond aan mensen in MRI-scans om te zien op welke advertentie mensen het meest dwangmatig gaan klikken. Terwijl menselijke welzijn het doel zou moeten zijn, worden we een middel ten dienste van de economie. Die omdraaiing is een historische fout in de geschiedenis, te vergelijken met het militarisme in de jaren 30 van de vorige eeuw. Ook toen werden mensen eigenlijk een soort radertjes in een systeem van een totaal uit de hand gelopen wapenwedloop tussen Europese naties, waar uiteindelijk niemand meer het doel van inzag. Dat dreigen we nu weer te doen, maar dan niet met militarisme, maar met economisme.

“ De vrijheid om te consumeren wat je wilt brengt geen diep en langdurig geluk ”

Door mensen ten dienste te stellen van de economie, verliezen we het zicht op wat echte vrijheid is. De door economen verdedigde ‘vrijheid’, die om te kopen wat je wilt, is uiteindelijk een vorm van nep-vrijheid. Ten eerste omdat we heel erg gemanipuleerd worden om te kiezen wat we kiezen. Hoe vrij zijn we nou echt om dát smaakje van het koekje te kiezen? We zijn immers al door en door gemanipuleerd voordat we dat koekje kiezen. En ten tweede omdat de vrijheid om te consumeren wat je wilt een hele oppervlakkige vorm van vrijheid is, die geen diep en langdurig geluk brengt. Dat soort geluk komt voort uit langdurige relaties, bijvoorbeeld, en uit het gevoel te kunnen bijdragen aan een groter geheel, zoals wanneer je werk betekenisvol werk verricht. Maar juist de betekenis van werk wordt momenteel fors uitgehold door werknemers mondiaal te laten concurreren. 

De werkelijke doelen worden dus veronachtzaamd, en de nep-vrijheid wordt gepropageerd. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we daar nu ook politiek stelling tegen nemen. Want hoe geavanceerder manipulatietechnieken worden, hoe moeilijker het wordt om af te kicken van de groeiverslaving. En dan kom je in een dystopische situatie terecht en dat is een pessimistische visie, maar die moeten we wel heel serieus nemen waarin politici uiteindelijk AI en geavanceerde marketingmethoden gaan gebruiken om ook onze politieke voorkeuren te manipuleren. Dan is uiteindelijk zelfs de democratische vrijheid in gevaar.”

cover van het boek 'Continent van de kwaliteit' van Paul Schenderling

Welke voorstellen uit je boek zou je zelf willen uitlichten?

“Dat zijn er twee. Het eerste gaat over een Europese economie die weer binnen de draagkracht van de aarde functioneert. Het voorstel is om alle veroorzakers van het overschrijden van die draagkracht broeikasgassen, materialen, watergebruik, landgebruik en toxische stoffen te binden aan een hard maximum, in de vorm van een quotum. Hierbij moeten bedrijven rechten kopen om bijvoorbeeld een hectare land of een ton grondstoffen te gebruiken. Zulke quota bestaan al voor broeikasgassen en zijn uitermate effectief. Ik denk dat dit mechanisme bij uitstek geschikt is om enerzijds een hele duidelijke democratische norm te stellen voor de ecologische impact van de economie en anderzijds heel veel ruimte te bieden aan de creativiteit en innovatie van ondernemers. Ze worden uitgedaagd om uit te vinden hoe ze binnen het quotum kunnen opereren. Zo’n aanpak past heel goed bij de EU, omdat die streeft naar ondernemerschap maar ook wil dat de economie binnen democratische normen functioneert.

Het tweede voorstel dat ik wil uitlichten gaat over betere producten. Ik verwacht dat voor 70 procent van de mensen het kopen van kwalitatief betere spullen met een langere levensduur prima betaalbaar is, maar dat dit voor de laagste 30 procent van de inkomens misschien niet haalbaar is. Mijn voorstel is om de opbrengsten van de eerder genoemde grensheffingen in te zetten voor de financiering van een kwaliteitsdividend voor de 30 procent laagste inkomens, zodat ook zij zich kwalitatief betere spullen met een langere levensduur kunnen veroorloven. Dat is ontzettend belangrijk om van deze transitie ook een sociale transitie te maken. Nu denk ik dat de loonpositie van heel veel gewone mensen uit de werkende klasse sowieso verbetert als we het door mij voorgestelde handelsbeleid gaan voeren. Het kwaliteitsdividend is een aanvulling daarop. Het is een uitgave die zichzelf terugverdient: duurzame producten zijn over hun hele levensduur vaak goedkoper. Daarom denk ik dat het uiteindelijk een win-win is voor zowel mensen als het klimaat.”

Je eerste boek schreef je met vertegenwoordigers uit het hele politieke spectrum — van SP tot SGP. Heb je voor dit nieuwe boek opnieuw samengewerkt met een brede politieke coalitie?

“Nee, in dit geval niet. Ik heb ditmaal een leescommissie samengesteld op basis van expertisegebieden die ik nodig had om een goede kritiek te leveren op mijn eerste concepten. Maar net als mijn vorige boek, heb ik dit boek wel geschreven met een hele brede toekomstcoalitie op het oog. Een coalitie waarin vertegenwoordigers van de werkende klasse, zoals bijvoorbeeld de vakbonden, zich kunnen vinden, maar ook vertegenwoordigers van het mkb en de industrie, die te maken hebben met oneerlijke concurrentie, vertegenwoordigers van milieuorganisaties die zich terecht hele grote zorgen maken over ecologische ontwrichting, mensen die zich zorgen maken over de staat van de democratie, en mensen die pleiten voor internationale gerechtigheid, dus een veel eerlijkere relatie met het mondiale Zuiden.”

Je bent zelf christendemocraat. Passen deze ideeën binnen het christendemocratisch gedachtegoed? En hoe zou je een liberaal overtuigen?

“Ik denk dat het voor christendemocraten belangrijk is dat de economie geen doel op zich is, maar ten dienste staat van het goede leven. Die fundamentele overtuiging deel ik, ik denk alleen dat veel christendemocraten de radicale consequentie daarvan niet serieus genoeg nemen. Ik vind het heel belangrijk dat christendemocraten ook echt consequenties verbinden aan hun overtuiging. 

Wat liberalen betreft: de liberaal Aldous Huxley (schrijver van het boek Brave New World – red.), die zich met hart en ziel heeft ingezet voor vrijheid, was uitermate beducht voor groeiverslaving. Dat is iets wat hij toen nog niet in die termen uitdrukte, maar hij had een sterke vrees voor wat in zijn termen en in zijn tijd propaganda heette – de uiterst geavanceerde manipulatietechnieken waarmee onze vrijheid ons wordt ontfutseld. 

Huxley sprak over mensen die uiteindelijk dodo’s worden, vogels die het verleerd zijn om te vliegen. De consumentistische maatschappij, waarbij mensen door en door gemanipuleerd worden om alleen maar te kiezen voor genot en comfort, verdringt de werkelijke vrijheid die om je volledig te ontplooien en keuzes te maken zoals wat je wilt bijdragen aan het grotere geheel. Daarom denk ik dat de ware klassieke liberaal, die streeft naar die echte vrijheid, heel duidelijk grenzen moet stellen aan hoe de economie mensen manipuleert. Want er zit een enorme spanning tussen politiek liberalisme en economisch liberalisme.”

Dit interview verscheen in eerder in Oikos.