Als je woning is aangesloten op een warmtenet, zit je vast aan één warmteleverancier. Je kunt niet switchen van leverancier, zoals bij stroom. In Nederland is de warmteleverancier vaak een bedrijf dat commercieel opereert. Zo’n bedrijf dankt zijn winst dus aan een privaat monopolie. Deze situatie heeft de voorbije jaren, waarin hoge gasprijzen ook de warmtetarieven omhoogstuwden, tot veel onvrede bij afnemers geleid. De gemeente Amsterdam trok zelfs miljoenen uit om huurders te compenseren voor de gestegen warmtefactuur.
Mede door het wantrouwen tegen commerciële warmtebedrijven vlot het niet met de uitbreiding van warmtenetten. Het landelijke doel van 500.000 extra warmteaansluitingen in 2030 is teruggeschroefd naar 200.000. Dat is slecht nieuws voor de energietransitie, want een warmtenet is in dichtbevolkte wijken vaak de meest geschikte manier om woningen van het aardgas af te halen.
Gemeenten hebben daarom de afgelopen jaren aangedrongen op nieuwe regels die het lokale bestuur meer regie geven over de warmtevoorziening. Met succes: sinds januari is de Wet collectieve warmte van kracht, die bepaalt dat warmtenetten uiterlijk in 2036 voor meer dan 50 procent in overheidshanden moeten zijn, of in handen van coöperaties van gebruikers. Zo is democratische zeggenschap verzekerd.
Vooruitlopend op de nieuwe wet zijn gemeenten en provincies aan de slag gegaan met de oprichting van publieke warmtebedrijven. Sommige bestuurders komen inspiratie opdoen in de gemeente Groningen. Daar ligt al een publiek warmtenet, dat zich gestaag uitbreidt: jaarlijks worden honderden tot een paar duizend woningen aangesloten. Wethouder Philip Broeksma leidt zijn collega’s graag rond, want hij is trots op het warmtebedrijf dat Groningen heeft opgebouwd.