Maar een trilemma heeft gelukkig drie mogelijke richtingen. De derde mogelijkheid is dat we onze sociale en ecologische wetgeving én onze industrie behouden. Maar dan zullen we radicaal afscheid moeten nemen van hyperglobalisering. We zullen echt een fundamenteel andere handelspolitiek moeten voeren. Eén van mijn voornaamste drijfveren om dit boek te schrijven, is dat we door kennis te nemen van het trilemma het Europese handelsbeleid weer gaan politiseren. Te vaak wordt in politieke debatten en verkiezingsprogramma’s het handelsbeleid als een soort natuurwet beschouwd, iets dat je niet kunt wijzigen. Terwijl dat wel degelijk kan. Die optie wil ik toevoegen aan het politieke debat.”
We willen natuurlijk graag dat de sociale en ecologische wetgeving – waar Europa juist in uitblinkt – overeind blijft. Hoe kunnen we ons handelsbeleid dan het beste inrichten? En hoe kunnen we op de juiste manier navigeren tussen doorgeslagen globalisering en doorgeslagen protectionisme? We zijn tenslotte ook afhankelijk van grondstoffen die van buiten Europa komen.
“Om te beginnen denk ik dat, als politici nog langer blijven wegkijken, de kans groot is dat we – net als de Verenigde Staten – van het ene uiterste, hyperglobalisering, doorschieten naar het andere uiterste, protectionisme. Omdat de enorme onvrede die hyperglobalisering teweegbrengt, bijvoorbeeld bij de werkende klasse, zich steeds verder blijft opbouwen. Er is gelukkig wel een redelijke middenweg mogelijk. Dani Rodrik noemt dat ‘globalisering met gezond verstand’. Waarbij je ja zegt tegen internationale handel, en nee tegen handel die niet aan democratisch vastgestelde normen voldoet.
In mijn boek doe ik voorstellen over hoe we dit anno nu kunnen invoeren. Mijn eerste voorstel is om alle kosten die bedrijven momenteel proberen te vermijden door buiten Europa te produceren – bijvoorbeeld de kosten om zowel goed voor hun werknemers als voor het milieu te zorgen – alsnog in rekening te brengen aan de Europese grens. Tenzij een bedrijf onafhankelijk gecertificeerd kan aantonen dat het wel netjes die kosten voor zijn werknemers en de aarde maakt. Daarmee ontstaat er weer een eerlijk speelveld voor internationale handel. En als dan blijkt dat door internationale concurrentie sommige industrieën concurrerender zijn buiten Europa, dan heb ik vrede met zo’n uitkomst. Maar op het moment dat dat niet zo is door oneerlijke concurrentie – bijvoorbeeld omdat de kosten voor arbeid en milieu kunstmatig laag worden gehouden, of omdat er veel staatssteun wordt gegeven, zoals China al decennialang doet – dan vind ik echt dat Europa daar veel daadkrachtiger tegen moet optreden.
Het tweede concrete voorstel dat ik doe, is om veel strenger te gaan controleren aan de grens op fysieke productvereisten. Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan onze garantiewetgeving, maar ook aan productveiligheidseisen. Op dit moment zijn de steekproeven die de douane neemt van de enorme hoeveelheid geïmporteerde producten veel te klein om voldoende handhaving te garanderen. Daar komt nog eens bij dat pakketjes die wij rechtstreeks bestellen bij webshops buiten de EU überhaupt niet gecontroleerd worden aan de grens. Uit onderzoek van bijvoorbeeld journalisten blijkt dat een heel groot deel van deze producten niet eens voldoet aan basale veiligheidseisen, laat staan dat ze voldoen aan bijvoorbeeld de garantietermijn van de EU van minimaal twee jaar. En deze zeeën van producten van lage kwaliteit brengen natuurlijk, behalve oneerlijke concurrentie, ook een gigantische milieu-impact met zich mee. Het zou echt veel beter zijn als we in Europa zouden kiezen voor kwaliteit, ook wanneer we producten importeren.”
Die grote instroom van goedkope producten van lage kwaliteit in Europa hangt samen met wat jij onze ‘groeiverslaving’ noemt. Deze verbind je in je boek met ons begrip van vrijheid. Je betoogt dat de huidige invulling van vrijheid, opgevat als de mogelijkheid om onbeperkt te consumeren, te oppervlakkig is en dat we zouden moeten streven naar een meer wezenlijke vorm van vrijheid.
“Het zou zo fantastisch zijn als we onze economie weer dienstbaar kunnen maken aan het goede leven, aan de doelen van het leven. Want op dit moment is het zo dat de samenleving en de aarde ten dienste worden gesteld van de economie. En dat is echt een idiote omkering van doelen en middelen. Groeiverslaving is daar, denk ik, het perfecte voorbeeld van. Wij worden slaaf gemaakt van de economie, doordat we gemanipuleerd worden op de meest subtiele manier – zelfs door neuromarketing.
In mijn boek geef ik het voorbeeld dat mensen letterlijk in hersenscanners worden gelegd om te meten welk koekje de optimale verhouding van suiker en vet bevat – een verhouding die echt door en door verslavend is. En dat koekje komt dan vervolgens in de winkel te liggen. Op dezelfde wijze worden ook reclames vertoond aan mensen in MRI-scans om te zien op welke advertentie mensen het meest dwangmatig gaan klikken. Terwijl menselijke welzijn het doel zou moeten zijn, worden we een middel ten dienste van de economie. Die omdraaiing is een historische fout in de geschiedenis, te vergelijken met het militarisme in de jaren 30 van de vorige eeuw. Ook toen werden mensen eigenlijk een soort radertjes in een systeem van een totaal uit de hand gelopen wapenwedloop tussen Europese naties, waar uiteindelijk niemand meer het doel van inzag. Dat dreigen we nu weer te doen, maar dan niet met militarisme, maar met economisme.