In maart vorig jaar nam ik mijn dochter van drie mee naar de Feminist March in Amsterdam. De lucht was strakblauw, ze zat vrolijk op mijn schouders en ze keek nieuwsgierig rond in de mensenmassa. Maar al snel sloeg de verveling toe. Door haar een ijsje in het vooruitzicht te stellen, kon ik nog wat tijdrekken. Toen ik haar die avond bij het naar bed brengen vroeg of ze een leuke dag had gehad, zei ze monter ‘Ja!’ Haar eerste protest werd zo een positieve ervaring, al begreep ze natuurlijk weinig van de politieke betekenis.

Gezamenlijke politieke ervaringen

In het boek Don't Talk About Politics: How to Change 21st-Century Minds las ik enkele maanden later hoe belangrijk zo’n eerste positieve protestervaring is. De Amerikaanse neurowetenschapper en politicoloog Sarah Stein Lubrano beschrijft hoe ervaringen en dingen dóén onze politieke opvattingen bepalen. Omdat mensen sociale wezens zijn die overleven door samen te werken, worden onze gedachten gevormd op basis van interactie met anderen. Politieke voorkeuren zijn dus het gevolg van relationele activiteiten. Daarbij gaat het niet zozeer om het uitwisselen van argumenten, maar om het opbouwen van een vertrouwensrelatie waarbinnen we ons openstellen voor nieuwe ideeën.

Haar boek werpt een ander licht op het gangbare idee dat politieke voorkeuren een uitkomst zijn van een rationeel proces. Het model waarbij politiek wordt voorgesteld als een ‘marktplaats van ideeën’ waarin kiezers calculerend shoppen, is volgens Stein Lubrano te beperkt. Dat geldt ook voor het model waarbij politiek wordt voorgesteld als ‘ideeënstrijd’, waarin de meest overtuigende ideeën zullen winnen. Stein Lubrano beschrijft hoe we informatie graag voor waar aannemen, als dit in het straatje past van ons bestaande wereldbeeld. Het maakt voor de overtuigingskracht dan niet zoveel uit of een politicus op heel eloquente wijze een standpunt over het voetlicht brengt. Wat volgens haar wél overtuigend is, is het creëren van gezamenlijke politieke ervaringen.

Daarbij kan gedacht worden aan organizing: samen macht opbouwen door mensen rondom een gedeeld probleem met elkaar te verbinden en in beweging te brengen. In de documentaire De Verkrotte Droom zien we bijvoorbeeld hoe buurtbewoners succesvol een vuist maken richting de woningcorporatie om hun lekkende schimmelwoningen onder de aandacht te brengen. Ik denk ook aan de jaarlijkse dodenherdenking, een indrukwekkende gebeurtenis met politieke lading die ons collectief tot stilte maant en ons verbindt. En ik denk aan al die stakingen voor voldoende loon of voor behoud van werk, of aan al die protesten voor sociale of ecologische rechtvaardigheid.

Gezamenlijke politieke ervaringen geven mensen een stem en doen hen ontdekken dat je samen sterk kan staan. Deze houding is de levensader van de democratie, het democratisch ethos dat ons zo geliefde politieke systeem in stand houdt. De vraag is dus niet of mensen te activistisch zijn, maar of we het ons kunnen veroorloven dat ze dat niet zijn. Immers, als het gevoel van politieke handelingsbekwaamheid ontbreekt of verdwijnt, wordt politiek ervaren als andermans zaak waarover anderen dus ook moeten beslissen. In dat vacuüm groeien machteloosheid en cynisme. Die houding maakt mensen vatbaar voor autoritaire leiders die de democratie willen afbreken.

Het demonstratierecht onder vuur

De laatste jaren ligt het demonstatierecht onder vuur en wordt collectieve actie al snel als lastig of onwenselijk neergezet. Dat verklaart het voornemen uit het vorige coalitieakkoord om het voor ngo’s moeilijker te maken om naar de rechter te stappen. Ook in het recente coalitieakkoord wordt het demonstratierecht als een probleem benaderd. De wet zou moeten worden aangepast omdat ‘we de afgelopen tijd zagen [dat] demonstreren soms door[slaat] in grootschalige verstoring van de openbare orde’. Dat is een buitensporige reactie op een probleem dat zich zelden voordoet. Want alleen al in Amsterdam werd in 2024 meer dan 3.000 keer een protest georganiseerd, in Utrecht zo’n 500 keer en in Den Haag ongeveer 1.700 keer. En vorig jaar werd er in Amsterdam nóg vaker gedemonstreerd dan het jaar daarvoor. Dat jaar greep de gemeente bij 1,6 procent van de demonstraties in, met bijvoorbeeld voorschriften over route of locatie. 

Als ik het coalitieakkoord goed begrijp, mogen demonstraties blijven bestaan, maar steeds vaker onder voorwaarden, buiten het zicht en onder dreiging van zwaardere sancties. Het demonstratierecht is nu nog een meldingsrecht, maar verschuift dan naar een juridisch stelsel met meer politieke inmenging en controle. Protest wordt zo niet langer gezien als democratische praktijk, maar als risico dat gemanaged moet worden. Juist daarmee wordt het democratisch ethos uitgehold: niet omdat het recht formeel verdwijnt, maar omdat het gebruik ervan in de praktijk ontmoedigd wordt.

En zo kom ik weer terug bij dat meisje op mijn schouders, met plakkerige handen van het ijs en een vaag besef dat ze onderdeel was van iets groters. Natuurlijk begreep ze niets van feminisme, macht of ongelijkheid. Maar ze ervoer wel dat mensen samen de straat op gaan, dat je je stem mag laten horen en dat dat geen bedreigende, maar zelfs feestelijke ervaring kan zijn.

Wat gebeurt er met het democratisch ethos van de toekomst als ouders hun kinderen niet meer meenemen naar dat soort momenten? Als protest alleen nog iets is voor doorgewinterde activisten achter dranghekken, buiten zicht en onder toezicht? Dan groeit een generatie op voor wie democratie vooral iets abstracts is, iets dat zich afspeelt in vergaderzalen en op beeldschermen, ver weg van het eigen leven. Dan verliezen we het vermogen om onszelf als democratische burgers te herkennen. Dat is een prijs die geen enkele vrije samenleving zich kan veroorloven.

Deze column is geschreven voor het themanummer over democratisch ethos in Christen Democratische Verkenningen, het tijdschrift van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.

Wil je meer inhoud in de politiek? Steun Wetenschappelijk Bureau GroenLinks. Wij zijn blij met elke bijdrage!