Verkiezingsprogramma’s van links tot rechts laten een opvallende ruk naar links zien. Beleven we werkelijk het einde van het neoliberalisme, ook nog eens onder het leiderschap van een historisch dominante VVD? Heeft een virus het neoliberalisme ten val gebracht?
De afgelopen maanden spraken premier Rutte en minister Kaag hun collega’s bij de Wereldbank, de EU en de VN aan op de noodzaak om klimaatverandering aan te pakken. Zo riep minister Kaag, samen met onder andere ministers uit Duitsland en Frankrijk, in een ingezonden brief in The Guardian het IMF op tot het financieren van duurzaam herstel door vooral in te zetten op groene infrastructuur en koolstofarme economieën.
De doorrekening van het verkiezingsprogramma door het Centraal Planbureau leidt tot een disciplinering van de politiek, vagere verkiezingsprogramma’s en minder invloed van GroenLinks-leden op het programma. Dat is vooral goed te zien bij de eerste doorrekening van het GroenLinks-programma uit 1994.
Gedreven door koppig optimisme en dankzij collaboratieve diplomatie lukte Christiana Figueres in 2015 wat niemand voor mogelijk had gehouden: ze smeedde namens de VN het Klimaatakkoord van Parijs. Sindsdien reist ze de wereld rond om mensen ervan te doordringen dat iedereen een rol heeft te spelen in het beschermen van de aarde. “Klimaatverandering bestrijden geeft geen garantie op succes, maar niks doen is onacceptabel.”
Nederland staat aan de vooravond van de Groene Eeuw. Klimaatverandering en toenemende grondstoffenschaarste dwingen verregaande verduurzaming van onze economie af. De industrie speelt hierin een hoofdrol, als grootverbruiker van grondstoffen en verantwoordelijke voor het grootste aandeel van de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen. Welk overheidsbeleid versnelt de verduurzaming van de Nederlandse industrie?
Groen staal uit Zweden, windenergie uit Denemarken en een Batterij Alliantie van de EU. Voor het ontwikkelen van een groene industriepolitiek kan Nederland inspiratie opdoen dichtbij huis. Drie voorbeelden.
We hebben genoeg geld, maar we gebruiken het verkeerd. Dat is de belangrijkste constatering van Dirk Bezemer in Een land van kleine buffers. Het boek geeft een boeiende en soms ietwat technische inkijk in de werking van het financiële systeem en onze economie. Bezemer legt overtuigend uit wat daarbij de problemen zijn én welke kansen de coronacrisis biedt om deze op te lossen, en zo tot een beter werkende en duurzame economie te komen.
Het politieke landschap in landen als Nederland is volgens politicologen sinds 2002 te begrijpen in termen van twee dimensies: een economische die gaat over hoe we welvaart verdelen, en een culturele die gaat over integratie, immigratie, identiteit en de plek van de islam in onze samenleving. Vaak worden deze dimensies gezien als volledig van elkaar gescheiden: opvattingen over immigratie zouden geen voorspellers zijn van opvattingen over inkomensverdeling.
Hoe kan ons geldstelsel de overgang naar een duurzame samenleving ondersteunen in plaats van belemmeren, zoals nu het geval is? Onderzoek van Wetenschappelijk Bureau GroenLinks laat zien dat hiervoor op korte termijn grondige hervormingen nodig zijn: van een Volksbank blijvend in publieke handen en minder kredietverlening tot meer investeringen in duurzame projecten met een onzeker rendement.
De doorrekeningen door het Centraal Planbureau van de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen geven een eenzijdig beeld van de werkelijkheid. Doordat het CPB alleen de financieel-economische gevolgen van voorgenomen beleid in kaart brengt, krijgt de kiezer geen informatie over de effecten van partijprogramma’s op welzijn en milieu.